ECLI:NL:GHARL:2023:2186

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
14 maart 2023
Zaaknummer
Wahv 200.311.738/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie kentekenhouder bij doorrijden roodlicht ondanks mogelijke staandehouding

De betrokkene kreeg een sanctie van €250,- opgelegd wegens doorrijden bij een rood verkeerslicht op 30 april 2021 in Amsterdam. De betrokkene stelde dat de sanctie ten onrechte aan hem als kentekenhouder werd opgelegd, omdat er volgens hem wel een reële mogelijkheid tot staandehouding was geweest.

De kantonrechter oordeelde dat de ambtenaar om het voertuig te kunnen volgen het rode licht had moeten negeren, wat een gevaarlijke situatie zou opleveren, maar baseerde zich daarbij op aannames die niet door de verklaring van de ambtenaar werden ondersteund. In hoger beroep overwoog het hof dat de ambtenaar in burger en in een onopvallend politiedienstvoertuig reed en onderweg was naar een voorgeleiding die geen uitstel duldde.

De ambtenaar verklaarde dat hij geen stopteken kon geven vanwege zijn functie en de dringende aard van zijn opdracht. Volgens artikel 5 van Pro de Wahv mag een sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd als er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden. Het hof concludeerde dat er wel een feitelijke mogelijkheid was, maar geen reële mogelijkheid tot staandehouding, en bevestigde daarom de sanctie en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De sanctie van €250,- voor doorrijden bij roodlicht aan de kentekenhouder wordt bevestigd wegens ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.311.738/01
CJIB-nummer
: 240934035
Uitspraak d.d.
: 14 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Daarnaast is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Daarbij is het zittingsverzoek ingetrokken.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 april 2021 om 21:07 uur op de Meer en Vaart, ter hoogte van de kruising met het Osdorperplein, in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Niet gebleken is immers dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De kantonrechter heeft overwogen dat de ambtenaar om het voertuig te kunnen volgen zelf ook het rode verkeerslicht had moeten negeren en daarmee een nog gevaarlijker situatie had gecreëerd. Daarvoor heeft de kantonrechter echter aannames moeten doen waarvoor de verklaring van de ambtenaar geen steun biedt. Nu uit de stukken niet blijkt van het tegendeel moet het er dus voor worden gehouden dat er een staandehouding kon worden verricht, met name nu de ambtenaar verklaart dat hij in een onopvallend politiedienstvoertuig reed en het dus waarschijnlijk is dat hij stopmiddelen tot zijn beschikking had.
3. In het zaakoverzicht staat als reden waarom er geen staandehouding is verricht vermeld dat de ambtenaar in burger was en in een onopvallend politiedienstvoertuig reed.
4. In hoger beroep is door de advocaat-generaal een proces-verbaal d.d. 18 augustus 2022 overgelegd waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:
“Ik kon de bestuurder geen stopteken geven omdat ik in burger gekleed was en in een onopvallend politievoertuig reed en op weg was naar een voorgeleiding van een verdachte in het cellencomplex Noord-West te Amsterdam in mijn functie van hulpofficier van justitie. Omdat de voorgeleiding geen uitstel kon gedogen heb ik de betrokken bestuurder niet aan de kant gezet om deze te confronteren met de overtredingen. Overigens was het politievoertuig waarin ik reed wel voorzien van een inrichting om de bestuurder een stopteken te kunnen geven middels het verlichte politiestop transparant.”
5. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij als hulpofficier van justitie op weg was naar een voorgeleiding die geen uitstel kon gedogen. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat zich in dit geval wellicht wel feitelijk een mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan, maar dat er voldoende grond is voor het oordeel dat daartoe geen reële mogelijkheid bestond. Aldus is de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. De klacht van de gemachtigde faalt.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.