Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Noord-Holland van 8 april 2022, betreffende
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig stellen van zekerheid in een bestuursstrafzaak onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
De betrokkene had een draagkrachtverweer gevoerd en het bedrag van € 70,- werd door de kantonrechter als zekerheid vastgesteld. Hoewel het CJIB aanvankelijk meldde dat de betaling pas op 21 april 2022 was ontvangen en het bedrag op 19 april 2022 was teruggestort wegens een onvolledig betalingskenmerk, toonde de betrokkene met bankafschriften aan dat de betaling op 5 april 2022 was gedaan.
Het hof oordeelde dat de betrokkene tijdig zekerheid had gesteld en dat het CJIB het bedrag niet correct had toegewezen. Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling, waarbij het arrest werd gewezen door mr. Wijma.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug naar de rechtbank.