AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sanctie voor niet-conforme verlichtingsarmaturen en beoordeling meervoudige overtredingen
De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het rijden met verlichtingsarmaturen die niet aan de wettelijke eisen voldoen. Daarnaast was er een strafbeschikking wegens een andere verkeersovertreding op dezelfde dag met hetzelfde voertuig. De betrokkene stelde dat het niet toegestaan was om beide sancties te combineren omdat het om één gebeurtenis ging en dat de foto’s van de overtreding niet waren overgelegd, wat zijn verdedigingsbelang zou schaden.
Het hof stelde vast dat de verlichtingsarmaturen inderdaad niet aan de eisen voldeden, ongeacht dat deze niet door de betrokkene waren bespoten maar zo waren aangeschaft. De vermeende foto’s waren niet gemaakt, waardoor er geen sprake was van schending van het verdedigingsbelang. Het hof oordeelde dat meerdere overtredingen tijdens één achtervolging als één gebeurtenis moeten worden gezien volgens de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen.
Hoewel de overtredingen op verschillende tijdstippen en locaties plaatsvonden, vond het hof dat dit niet tot een andere beoordeling leidde. De ambtenaar had weliswaar niet expliciet melding gemaakt van de combinatie van administratiefrechtelijke en strafrechtelijke afdoening in het proces-verbaal, maar dit werd later toegelicht en was voldoende. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd met verbeterde gronden.
Uitkomst: De sanctie van €100 voor het rijden met niet-conforme verlichtingsarmaturen wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.277/01
CJIB-nummer
: 241243960
Uitspraak d.d.
: 17 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 23 mei 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor feitcode N550: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl glazen verlichtingsarmaturen of retroreflectoren niet aan de gestelde eisen voldoen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 mei 2021 om 13:51 uur op de Oosterwerf in Uitgeest met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er meerdere sancties aan de betrokkene zijn opgelegd, te weten een Mulderbeschikking en een strafbeschikking. De strafbeschikking is opgelegd voor feitcode S005c: “als bestuurder niet in staat zijn, zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is; bij snelheden van meer dan 80 km/h tot en met 100 km/h, onderlinge afstand 3 meter of meer”. De Mulderbeschikking vanwege voormelde gedraging met feitcode N550. Omdat de sancties zijn opgelegd voor gedragingen op dezelfde datum, hetzelfde tijdstip en hetzelfde kenteken, is er sprake van “één gebeurtenis” in de zin van de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen. Op grond van artikel 2 vanPro die Aanwijzing moet bij één gebeurtenis in principe één traject worden gevolgd. Als zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg wordt bewandeld, moet daarvan zo concreet mogelijk melding worden gemaakt in het proces-verbaal. Bovendien mag van die mogelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt. Aan beide voorwaarden is in deze zaak niet voldaan. Voor zover de ambtenaar als motivering opgeeft dat er sprake is van een uitzonderlijk geval omdat er gevaar ontstond bij het uitvoeren van bijzondere manoeuvres, kan deze niet als zodanig gelden. Het gevaarzettende karakter zit immers reeds verdisconteerd in beide gedragingen en voor zover dit niet het geval is, had de ambtenaar proces-verbaal moeten opmaken voor overtreding van artikel van 5 van de Wegenverkeerswet 1994, aldus de gemachtigde. Daarnaast wijst de gemachtigde erop dat er blijkens het zaakoverzicht een fotografische opname is gemaakt. De ambtenaar is door de officier van justitie verzocht deze te verstrekken en deze heeft in reactie daarop aangegeven dat hij was vergeten deze bij te voegen, zonder deze vervolgens alsnog over te leggen. Door het telkenmale achterhouden van deze foto is de betrokkene in zijn verdedigingsbelang geschaad en dient de inleidende beschikking te worden vernietigd. Tot slot brengt de gemachtigde naar voren dat - anders dan de ambtenaar lijkt te veronderstellen - de lichtarmaturen niet zijn bespoten. Deze zijn via een website aanschaft en goedgekeurd. De lichtdoorlatendheid van deze armaturen is in orde, hetgeen ook blijkt uit de bij het beroepschrift gevoegde foto’s, aldus de gemachtigde.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor onder meer een gedraging die door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat - zakelijk weergegeven - onder meer de volgende gegevens:
Ik zag de bestuurder van genoemd voertuig rijden, terwijl de verlichtingsarmaturen niet aan de gestelde eisen voldoen. Ik zag dat de verlichtingsarmaturen zwart van kleur waren en je niet kon onderscheiden wat de knipperlichten, achteruitrijlichten en de normale verlichting waren. Ik zag dat deze verlichting was bespoten. Ik heb abusievelijk vergeten foto’s toe te voegen.
5. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 11 november 2022 waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Ik (…) heb toen de bestuurder twee processen-verbaal aangezegd omdat hij diverse malen aan het kleven was op de provincialeweg N242 en de rijksweg A9. Daarbij kon je zijn remlichten en zijwaartse knipperlichten niet goed zien omdat deze wegvielen omdat de units bespoten waren en donkerder dan de originele (….). Hierdoor ontstond gevaar voor het overige verkeer omdat de rest niet goed kan zien wat hij op de weg ging doen met bijzondere manoeuvres. In verband met het gevaar heb ik daarom voor strafrecht en Mulder geschreven. In het proces-verbaal met feitcode S005c heb ik vermeld dat ik heb geschreven voor feitcode N550. In het proces-verbaal voor feitcode N550 ben ik abusievelijk vergeten te vermelden dat er tevens is geschreven voor feitcode S005c.”
6. De onderhavige gedraging ziet op een overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid, onder c in verbinding met artikel 5.2.55, vierde lid, van de Regeling voertuigen (hierna: Rv).
7. Genoemde artikelen luiden - voor zover hier van belang -:
Artikel 5.1.1 Rv:
"1. Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden (…), indien het voertuig:
(…)
c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of
inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen."
Artikel 5.2.55, vierde lid, Rv:
“4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat
de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het
bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.”
8. Artikel 128 inPro Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 Rv luidt - voor zover hier van belang -:
“1. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn bespoten, geverfd of beplakt.”
9. Het hof stelt vast dat de gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie in het kader van de Wahv heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht en deze sluiten aan bij hetgeen hiervoor onder 1 is weergegeven. De omstandigheid dat de glazen van de op het voertuig aanwezige lichtarmaturen niet door de betrokkene zijn bespoten, maar zo zijn aangekocht - zoals namens de betrokkene wordt aangegeven - doet geen afbreuk aan de waarneming van de ambtenaar en dat maakt ook niet dat deze armaturen op grond van die omstandigheid (toch) zijn toegestaan. Aan de stelling dat deze lichtarmaturen zijn goedgekeurd en voldoen aan eisen die daaraan op grond van de Rv worden gesteld gaat het hof bij gebreke van een steekhoudende onderbouwing reeds om die reden voorbij.
10. De door van de gemachtigde aangevoerde grond dat de betrokkene in zijn verdedigingsbelang is geschaad door het niet beschikbaar stellen van de foto’s door de ambtenaar treft evenmin doel. Deze stelling gaat immers uit van de veronderstelling dat er door de betrokken ambtenaar foto’s zijn gemaakt van de onderhavige gedraging. Die stelling berust naar het oordeel van het hof echter op een verkeerde lezing van de informatie die de ambtenaar op dat punt heeft verschaft. De mededeling van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal, door de officier van justitie gevraagd naar een eventuele fotografische opname van de gedraging, dat hij abusievelijk is vergeten deze bij het proces-verbaal te voegen, moet in dit geval namelijk aldus worden begrepen dat de ambtenaar is vergeten een fotografische opname van de gedraging te maken en deze onderdeel te doen uitmaken van het proces-verbaal. Het hof merkt daarbij overigens op dat geen rechtsregel de ambtenaar verplicht tot het maken van foto’s van een gedraging als de onderhavige. De omstandigheid dat er geen foto’s van de gedraging zijn brengt daarnaast op zichzelf genomen niet mee dat onvoldoende verweer kan worden gevoerd.
11. Nu foto’s in dit geval niet noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de gedraging zelf, betekent het voorgaande dat de gedraging op grond van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld.
12. In de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: de Aanwijzing), die op 1 januari 2018 in werking is getreden, is het volgende opgenomen:
“1. Afdoening overeenkomstig de richtlijn
Feitgecodeerde zaken worden door de opsporingsinstantie of het OM afgedaan overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen.
Om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen wordt per gebeurtenis aan de betrokkene/verdachte voor ten hoogste drie overtredingen een administratieve sanctie opgelegd, een strafbeschikking uitgevaardigd of een proces-verbaal opgemaakt.
Indien, bijvoorbeeld bij het volgen van een voertuig, meerdere overtredingen kort na elkaar worden geconstateerd, wordt eveneens voor ten hoogste drie overtredingen een sanctie opgelegd of een strafbeschikking uitgevaardigd. Als het wenselijk is dat alle overtredingen worden benoemd dan moet worden afgezien van de administratiefrechtelijke weg of het uitvaardigen van een strafbeschikking en moet het rijgedrag van de bestuurder en de door hem gepleegde overtredingen worden vastgelegd in een proces-verbaal.
2. Uitgangspunt: Afdoening via één traject
Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
13. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken en het aanvullend proces-verbaal van
11 november 2022 van de betrokken ambtenaar blijkt dat aan de betrokkene één beschikking is opgelegd voor een gedraging met feitcode N550 op grond van de Wahv en één strafbeschikking voor een overtreding met feitcode S005c is opgelegd. De beide overtredingen zijn gepleegd op dezelfde datum en met hetzelfde voertuig, maar op verschillende tijdstippen en verschillende locaties.
14. Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van één gebeurtenis/moment in de zin van de Aanwijzing. Uit het aanvullend proces-verbaal van de betrokken ambtenaar volgt dat gedurende één controle waarbij de ambtenaar het voertuig van de betrokkene is gevolgd meerdere overtredingen zijn waargenomen en dat de betrokkene vervolgens staande is gehouden waarbij hij is geconfronteerd met de waarnemingen en het opleggen van sancties is aangezegd. Dat de gedragingen op verschillende locaties en tijdstippen zijn vastgesteld, maakt dat - anders dan de kantonrechter heeft overwogen - niet anders.
15. Het hof stelt vervolgens vast dat de ambtenaar in zijn verklaring, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, de in deze zaak voorliggende gedraging heeft beschreven. Dat daarbij niet expliciet is vermeld dat naast de administratiefrechtelijke weg ook de strafrechtelijke is bewandeld en dat de ambtenaar eerst naderhand een proces-verbaal heeft opgesteld waarin dit wordt uitgelegd, geeft het hof geen aanleiding de inleidende beschikking wegens strijd met de Aanwijzing te vernietigen. Het hof overweegt hiertoe dat in het proces-verbaal dat met betrekking tot de geconstateerde overtreding met feitcode S005c is opgemaakt wel melding wordt gemaakt van het opmaken van een proces-verbaal voor feitcode N550. De vermelding van die omstandigheid heeft ook met name in dat proces-verbaal betekenis. De officier van justitie kan in het kader van de strafrechtelijke afdoening van de overtreding bij het opleggen van een strafbeschikking en het daarbij te hanteren tarief immers rekening houden met de (hoogte van de) sanctie die langs administratiefrechtelijke weg is opgelegd. Het hof merkt hierbij nog op dat het door de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal beschreven rijgedrag van de betrokkene overigens zodanig is dat afdoening langs beide trajecten in dit geval gerechtvaardigd was. De gemachtigde wijst er weliswaar terecht op dat het gevaarzettende karakter ervan op zichzelf genomen besloten ligt in beide vastgestelde gedragingen, maar gaat er aan voorbij dat voor de beantwoording van de voorliggende vraag omtrent het gerechtvaardigd zijn van de gekozen afdoeningswijze met name van belang is in hoeverre zich deze gevaarzetting in het voorkomende geval feitelijk heeft gemanifesteerd. Dat de ambtenaar er ook voor had kunnen kiezen om een proces-verbaal op te maken voor artikel 5 WVWPro 1994 doet daar niet aan af.
16. Nu de door de gemachtigde aangevoerde gronden falen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen, met verbetering van gronden gelet op hetgeen onder 14 is overwogen.
17. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.