ECLI:NL:GHARL:2023:2383

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
200.294.074
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen twee raadsheren wegens vermeende vooringenomenheid in beleggingsverzekeringszaak

In een civiele procedure tussen Achmea en diverse consumentenorganisaties vond op 19 januari 2023 een mondelinge behandeling plaats. Kort daarna diende Achmea een wrakingsverzoek in tegen de drie behandelend raadsheren, omdat één van hen, mr. Rinkes, in een eerdere zaak als partijdeskundige had opgetreden en zich publiekelijk negatief had uitgelaten over beleggingsverzekeringen, hetgeen haaks zou staan op Achmea's standpunten.

Mr. Rinkes berustte in de wraking, maar de andere twee raadsheren, mevrouw Bethlem en de heer Brand, niet. De wrakingskamer onderzocht of deze twee raadsheren door de aanwezigheid en eerdere uitlatingen van mr. Rinkes mogelijk vooringenomen waren. Hoewel het vermoeden van onpartijdigheid geldt, oordeelde de wrakingskamer dat de vrees voor vooringenomenheid jegens Bethlem en Brand objectief gerechtvaardigd is.

Dit oordeel is mede gebaseerd op het feit dat mr. Rinkes aan de mondelinge behandeling en beraadslaging heeft deelgenomen en dat het raadkamergeheim verhindert vaststelling van de precieze invloed van zijn eerdere betrokkenheid. De wrakingskamer wees daarom het verzoek toe voor Bethlem en Brand, terwijl mr. Rinkes zich in de wraking berustte.

De beslissing werd op 21 maart 2023 openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt toegewezen tegen twee raadsheren wegens objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
zaaknummer W200.294.074/02
beslissing van de wrakingskamer van 21 maart 2023
inzake het verzoek tot wraking, gedaan door
Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V,
gevestigd te Apeldoorn,
verzoekster, hierna: Achmea,
advocaat: mr. A.Ch.H. Franken.

1.de procedure

1.1
Bij dit hof is onder zaaknummer 200.294.074 een procedure aanhangig tussen Achmea enerzijds en Vereniging Woekerpolis.nl, de Consumentenbond, [naam1] en
[naam2] anderzijds.
1.2
Op 19 januari 2023 heeft in die procedure een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van die mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
1.3
Op 22 februari 2023 is bij de wrakingskamer een schriftelijk wrakingsverzoek binnengekomen betreffende de drie behandelend raadsheren in die zaak: mrs. Ch.E. Bethlem, voorzitter, I. Brand en J.G.J. Rinkes.
1.4
Mr. Rinkes heeft in de wraking berust. Hij heeft hierbij geen toelichting gegeven.
1.5
Mrs. Bethlem en Brand hebben niet berust in de wraking en hebben een gezamenlijke schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de wrakingskamer gezonden. Deze reactie is doorgezonden aan de advocaat van Achmea. Deze beide raadsheren hebben laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.
1.6
Op 7 maart 2023 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- mrs. A.Ch.H. Franken en R.H.B. Tewarie namens Achmea,
- de heer [naam3] , [functie] bij Achmea,
- mr. C.M. Borman namens de Consumentenbond.
1.7
Mr. Franken heeft op de mondelinge behandeling namens Achmea het wrakingsverzoek toegelicht aan de hand van een ter zitting overgelegde spreeknotitie.

2.de ontvankelijkheid van het verzoek

2.1
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van de zitting kan het verzoek ook mondeling worden gedaan. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
2.2
Achmea is ontvankelijk in het wrakingsverzoek.

3.de gronden van het verzoek en de beoordeling daarvan

3.1
Kort samengevat komt de grond van het wrakingsverzoek erop neer dat Achmea stelt op 20 februari 2023 te hebben vernomen dat mr. Rinkes in een eerdere andere procedure over een beleggingsverzekering, tussen een andere verzekeraar en een particuliere consument, als juridisch adviseur en partijdeskundige van die consument heeft opgetreden en geopinieerd. Die opinie (legal opinion), die als bijlage bij het wrakingsverzoek is overgelegd, staat haaks op de standpunten van Achmea in de onderhavige zaak. Verder blijkt uit een bijdrage van mr. Rinkes aan het televisieprogramma Kassa uit 2010, die ook als bijlage bij het wrakingsverzoek is overgelegd, dat mr. Rinkes beleggingsverzekeringen categorisch afkeurt. Nu in de onderhavige zaak de mondelinge behandeling inmiddels heeft plaatsgevonden en de drie raadsheren daarna uitvoerig over de zaak hebben beraadslaagd, bestaat bij Achmea de vrees dat (ook) mrs. Bethlem en Brand jegens de standpunten van Achmea een vooringenomenheid koesteren, aldus Achmea.
3.2
In deze omvangrijke zaak heeft op 19 januari 2023 een uitvoerige mondelinge behandeling plaatsgevonden, blijkens ook het van die mondelinge behandeling opgemaakt proces-verbaal. Uit dat proces-verbaal blijkt dat de mondelinge behandeling is afgerond met de mededeling van de voorzitter dat op 4 april 2023 arrest zal worden gewezen. Blijkens de gezamenlijke schriftelijke reactie van mrs. Bethlem en Brand van 27 februari 2023 heeft de combinatie na de mondelinge behandeling in raadkamer overleg gehad over de zaak. Een maand na de mondelinge behandeling is het wrakingsverzoek van Achmea binnengekomen zoals hiervoor vermeld, kort nadat Achmea de informatie zoals hiervoor weergegeven over mr. Rinkes had ontvangen.
3.3
De wrakingskamer overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter voorop staat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit vermoeden lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.4
Vast staat dat mr. Rinkes in het verleden als adviseur is opgetreden in een andere beleggingsverzekeringszaak en zich daarnaast publiekelijk heeft uitgelaten over beleggingsverzekeringen, zoals hiervoor in het verzoekschrift naar voren is gebracht. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft hij daarmee in ieder geval de schijn van vooringenomenheid jegens de standpunten van Achmea gewekt. De vraag die nu voorligt is of mrs. Bethlem en Brand door mr. Rinkes, die aan de behandeling ter zitting en de beraadslaging daarna heeft deelgenomen, ontoelaatbaar zijn beïnvloed, waardoor ten aanzien van hen de vrees voor vooringenomenheid objectief is gerechtvaardigd.
3.5
Anders dan Achmea meent is dat niet af te leiden uit de (procedurele) gang van zaken ter zitting, de uitlatingen die de voorzitter daar heeft gedaan noch uit de verslaglegging in het proces-verbaal.
Wat betreft het raadkameroverleg na de mondelinge behandeling overweegt de wrakingskamer dat zich hier wreekt dat de raadsheren vanwege het raadkamergeheim in de onmogelijkheid verkeren daarover openheid van zaken te geven en daardoor niet is vast te stellen wat ieders individuele invloed in de beraadslaging is geweest. [1] Of in het raadkameroverleg daadwerkelijk een (eind)oordeel is gevormd, welke en door wie aangedragen argumenten daarbij de doorslag hebben gegeven en of en hoe de deelname van mr. Rinkes als adviseur in een andere beleggingsverzekeringszaak en diens publieke uitlatingen over beleggingsverzekeringen in het algemeen daarbij een rol hebben gespeeld, is gelet op de beslotenheid van beraadslagingen in de raadkamer niet te achterhalen. Dit neemt niet weg dat, als het wrakingsverzoek van Achmea ten aanzien van mrs. Bethlem en Brand wordt afgewezen, zij tezamen met een nieuw in de combinatie te benoemen raadsheer, na een mogelijk nieuwe mondelinge behandeling, tot een gezamenlijk oordeel zullen moeten en komen. Mrs. Bethlem en Brand hebben zich dan echter, in de samenstelling met mr. Rinkes, al eerder over de zaak gebogen en zijn daarbij mogelijk tot een (gezamenlijk) oordeel gekomen. Hoewel geenszins vast staat dat vanwege de rol van mr. Rinkes ten aanzien van mrs. Bethlem en Brand sprake is van vooringenomenheid, is de wrakingskamer, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de vrees hiervoor bij Achmea wel objectief is gerechtvaardigd. De wrakingskamer zal daarom het wrakingsverzoek ten aanzien van
mrs. Bethlem en Brand toewijzen.

4.de beslissing

De wrakingskamer van het gerechtshof, beslissende op het verzoek tot wraking:
wijst het verzoek tot wraking van mrs. Ch.E. Bethlem en I. Brand toe.
Deze beslissing is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, voorzitter, F.A.M. Bakker en
R.A.V. Boxem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 maart 2023.

Voetnoten

1.Morice t. Frankrijk [GC], 23 april 2015, EHRC 2015/141 § 89.