Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de bewindvoerder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker, geboren in 1956, is sinds 2012 onder bewind gesteld vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand. Hij verzocht in juni 2022 om opheffing van het bewind, stellende dat zijn situatie verbeterd is en budgetbeheer volstaat. De kantonrechter wees dit verzoek af.
In hoger beroep stelde verzoeker dat nieuwe feiten en omstandigheden de noodzaak van het bewind wegnemen, onderbouwd met stukken van behandelaars. Het hof oordeelde echter dat onvoldoende is aangetoond dat de noodzaak voor het bewind is komen te vervallen. Recente medische informatie ontbrak, en de geestelijke gesteldheid van verzoeker vertoont nog steeds zorgwekkende kenmerken.
Daarnaast bleek uit de financiële situatie dat verzoeker moeite heeft met het beheren van zijn geld, ondanks leefgeld en extra bedragen. Zijn beperkte digitale vaardigheden bemoeilijken het zelfstandig beheren van zijn vermogen verder. Ook de verstoorde familieverhoudingen en de stressvolle afwikkeling van een nalatenschap spelen een rol.
Het hof concludeerde dat het beoogde vrijwillige budgetbeheer onvoldoende is en bekrachtigde de bestreden beschikking van de kantonrechter, waarmee het bewind gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bewind blijft gehandhaafd.