ECLI:NL:GHARL:2023:2798
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming erkenning vaderschap ondanks weigering DNA-onderzoek
In deze civiele procedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzocht de man vervangende toestemming voor erkenning van het vaderschap van een minderjarige, nadat de vrouw weigerachtig bleef aan DNA-onderzoek mee te werken. Het hof constateerde dat ondanks herhaalde pogingen en aanmoedigingen, de DNA-onderzoeken niet zijn uitgevoerd, voornamelijk door de houding van de vrouw.
Het hof baseerde het vaderschap op andere factoren, zoals het feit dat de man en vrouw in de conceptieperiode frequent contact hadden en seksueel contact hadden gehad. De vrouw had geen concrete onderbouwing voor haar stelling dat een ander de verwekker zou kunnen zijn. Het hof concludeerde daarom dat de man de biologische vader is.
Vervolgens oordeelde het hof dat er geen gronden zijn om vervangende toestemming te weigeren, omdat de vrouw haar bezwaren onvoldoende onderbouwde en er geen risico’s zijn voor de emotionele ontwikkeling van het kind. Het hof vernietigde het eerdere besluit van de rechtbank voor zover het ging om vervangende toestemming en verleende deze toestemming.
Daarnaast verzocht het hof de raad voor de kinderbescherming een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van gezamenlijk gezag en contactopbouw tussen de man en het kind, en stelde het verdere beslissingen hierover aan. Het hof benadrukte het belang van statusvoorlichting voor het kind en hoopte dat de vrouw het belang van het kind voorop stelt.
Uitkomst: Het hof verleent vervangende toestemming voor erkenning van het vaderschap en verzoekt nader onderzoek naar gezag en contactopbouw.