ECLI:NL:GHARL:2023:2833

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2023
Publicatiedatum
3 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.314.775
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende motivering geen staandehouding bij drukke verkeerssituatie

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €250 opgelegd voor rechts inhalen op de Wippolderlaan te Wateringen op 4 februari 2021. De ambtenaar verklaarde dat staandehouding niet mogelijk was vanwege een drukke verkeerssituatie in de spits, maar gaf geen concrete toelichting waarom de bestuurder niet kon worden staande gehouden.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat deze algemene verklaring onvoldoende was om de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Het hof oordeelde dat enkel een drukke verkeerssituatie en spitsuur niet automatisch betekenen dat staandehouding onmogelijk was. Er ontbrak een concrete motivering over de positie van de ambtenaar en waarom de bestuurder niet bij het verkeerslicht kon worden staande gehouden.

Daarom vernietigde het hof de beschikking en de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. Het arrest benadrukt het belang van een concrete motivering bij het niet kunnen staande houden van een bestuurder volgens artikel 5 Wahv Pro.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens rechts inhalen wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding.

Uitspraak

c

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.775/01
CJIB-nummer
: 239321422
Uitspraak d.d.
: 3 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 9 augustus 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 maart 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 februari 2021 om 16:45 uur op de Wippolderlaan in Wateringen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de ambtenaar in het zaakoverzicht slechts heeft verklaard dat geen mogelijkheid voor staandehouding was. Later verklaart de ambtenaar pas dat de gedraging om 16:45 uur is geconstateerd, het toen spits was en dat het daarom aannemelijk is dat de verkeerssituatie staandehouding onmogelijk maakte. Uit deze algemene verklaringen blijkt nog steeds niet waarom staandehouding in het onderhavige geval niet mogelijk was.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat genoemd voertuig op de linker rijstrook reed. Ik zag dat het erg druk was op de Wippolderlaan en dat op beide rijstroken veel voertuigen reden. Ik zag dat betrokken voertuig redelijk dicht op zijn voorganger ging rijden. Ik zag dat betrokken voertuig naar de rechter rijstrook reed en met hoge snelheid het voertuig op de linker rijstrook inhaalde. Ik zag dat betrokken voertuig weer naar de linker rijstrook reed. Ik zag dat dit ten minste drie maal gebeurde, waarbij het betrokken voertuig slalommend een aantal plekjes naar voren opschoof. Ik zag dat betrokken voertuig uiteindelijk stilstond voor de verkeerslichten voor rechtsaf en dat gepasseerde voertuigen betrokkene hierdoor weer passeerden. Reden geen staandehouding: geen mogelijkheid tot staandehouding.”
4. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 30 augustus 2021 waarin onder meer is verklaard:
“Het voertuig kon niet staandegehouden worden door de verkeerssituatie ter plaatse.
5. Het dossier bevat ook een aanvullend proces-verbaal van 12 oktober 2021 waarin onder meer is verklaard:
“De overtreding is gebeurd op donderdag 4 februari 2021 om 16:45, waarbij mij direct opvalt dat dit in de spits is. Bij mijn bekeuring vermelde reden ‘geen staandehouding omdat hier geen mogelijkheid voor was’, is daarom aannemelijk. Mijn aanvulling ‘vanwege de verkeerssituatie’ klinkt nog aannemelijker dat een staandehouding niet mogelijk is. Ik zie geen reden om dit uitgebreider te omschrijven. Ik kan met mijn surveillancevoertuig niet over het overige verkeer heen.”
6. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
7. De ambtenaar verklaart dat sprake was van een drukke verkeerssituatie. Uit het tijdsstip van de gedraging zou verder kunnen worden afgeleid dat sprake was van spits en dit zou de conclusie van de ambtenaar dat staandehouding niet mogelijk was onderbouwen. Het hof volgt deze redenering niet. Dat sprake was van een drukke verkeerssituatie en spits brengt op zichzelf niet mee dat staandehouding niet mogelijk was. Uit de verklaring van de ambtenaar kan niet worden afgeleid wat zijn positie ten opzichte van de bestuurder was en waarom de bestuurder bij het stilstaan voor het verkeerslicht niet standgehouden kon worden. Het hof is daarom niet gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Het hof zal als volgt beslissen.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal 4 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.703,25 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (3 x € 837,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.703,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.