ECLI:NL:GHARL:2023:2848
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen overdracht gevangenisstraf aan België ongegrond verklaard
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor een woningoverval met geweld. Na intrekking van het hoger beroep is het vonnis onherroepelijk geworden. De Minister voor Rechtsbescherming heeft het voornemen uitgesproken om de tenuitvoerlegging van de straf aan België over te dragen. De veroordeelde heeft hiertegen bezwaar gemaakt, onder meer vanwege de detentieomstandigheden in België en zijn wens om in Nederland strafonderbreking te krijgen.
Het hof heeft het bezwaar behandeld en overwogen dat de Minister op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETVVS) bevoegd is tot overdracht. De veroordeelde heeft geen verblijfsrecht in Nederland, maar wel in België, waar zijn kind woont. De detentieomstandigheden in België zijn problematisch, zoals blijkt uit rapporten van het Europees Comité ter voorkoming van foltering, maar het hof vertrouwt op de toezeggingen van de Minister dat overdracht pas plaatsvindt na concrete garanties van de Belgische autoriteiten.
Het hof concludeert dat de Minister in redelijkheid tot het voornemen tot overdracht heeft kunnen komen en verklaart het bezwaar ongegrond. De beslissing is genomen met inachtneming van het beginsel van wederzijdse erkenning binnen de EU en de noodzaak om de reclassering van de veroordeelde te bevorderen.
Uitkomst: Het hof verklaart het bezwaar tegen de overdracht van de gevangenisstraf aan België ongegrond.