Uitspraak
[appellant],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde1],
[geïntimeerde2],
[geïntimeerden],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn buren geweest tussen oktober 2018 en november 2020 en hebben diverse conflicten gehad, waaronder geluidsoverlast, vernielingen en bedreigingen. Geïntimeerden vorderen schadevergoeding wegens deze overlast en vernielingen, appellant vordert eveneens schadevergoeding voor vernielingen door geïntimeerden.
De rechtbank heeft de meeste vorderingen van geïntimeerden toegewezen en deels die van appellant. Beide partijen kwamen in hoger beroep tegen deze uitspraken. Het hof heeft de grieven van appellant en geïntimeerden beoordeeld en komt tot een grotendeels bevestigend oordeel ten aanzien van de rechtbankuitspraak, met uitzondering van de schadevergoeding voor de vijver die het hof afwijst.
Het hof oordeelt dat appellant vanaf eind december 2019 tot eind november 2020 onrechtmatige geluidsoverlast heeft veroorzaakt, die ernstig genoeg was om een immateriële schadevergoeding te rechtvaardigen. De vernielingen aan de voordeur van appellant door geïntimeerde1 worden toegewezen, evenals schade aan de bestelbus door appellant. Schade aan de vijver, lekgestoken autobanden en explosie van de schuur worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van aansprakelijkheid van appellant.
De waardevermindering van de woning van geïntimeerden wordt bevestigd op € 35.000,- en de immateriële schadevergoeding op € 3.000,-. Het beroep op matiging door appellant wordt verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof veroordeelt appellant tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten en bekrachtigt het vonnis voor het overige.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten, met vernietiging van de schadevergoeding voor de vijver.