ECLI:NL:GHARL:2023:3088

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 april 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.315.549/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArtikel 1 Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de WahvArtikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctiebedrag Wahv wegens snelheidsovertreding met tariefaanpassing

De betrokkene werd door de officier van justitie gesanctioneerd voor het rijden van 6 km/u te hard op een autosnelweg buiten de bebouwde kom. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. Het hof stelde vast dat de betrokkene een draagkrachtverweer had gevoerd en dat de kantonrechter niet correct had gehandeld door geen nieuwe termijn te bieden voor zekerheidstelling.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en behandelde het beroep zelf. De sanctie werd gematigd van €38 naar €33, omdat per 1 maart 2022 een lager tarief geldt voor deze overtreding. Dit is in lijn met het arrest Scoppola, waarbij het meest gunstige tarief tussen de dag van de overtreding en de uitspraak wordt toegepast.

Daarnaast werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene. Het hof bepaalde dat het teveel gestelde zekerheidbedrag aan de betrokkene wordt gerestitueerd. De uitspraak werd op 11 april 2023 door het hof Arnhem-Leeuwarden gewezen.

Uitkomst: Het hof matigt de sanctie tot €33 en vernietigt de beslissing van de kantonrechter wegens onjuiste toepassing van zekerheidstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.315.549/01
CJIB-nummer
: 240956970
Uitspraak d.d.
: 11 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft laten weten in te stemmen met hetgeen in het verweerschrift is gesteld.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 6 maart 2023 heeft het hof een e-mail van de gemachtigde ontvangen, waarin hij zijn zittingsverzoek intrekt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie nietontvankelijk verklaard, omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat in het beroep bij de kantonrechter een draagkrachtverweer is gevoerd. De gemachtigde en de betrokkene zijn niet bekend met de tussenbeslissing van de kantonrechter van 10 mei 2022, waarin de betrokkene een nadere termijn van 6 weken is gegeven om alsnog volledig zekerheid te stellen. Er is inmiddels zekerheid gesteld.
3. Het hof stelt vast dat in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer is gevoerd.
4. Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
5. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
6. In het dossier bevindt zich de tussenbeslissing van de kantonrechter van 10 mei 2022. Bij deze beslissing heeft de kantonrechter geoordeeld dat onvoldoende aanleiding bestaat om het bedrag van de door de betrokkene te stellen zekerheid te verlagen en heeft hij de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van 6 weken na de datum van de verzending van die beslissing alsnog volledige zekerheid te stellen. Nu de rechtbank niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie en de beslissing niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de beslissing van de kantonrechter daadwerkelijk op 1 juni 2022 aan de gemachtigde is toegestuurd, zoals aangeduid via een stempel op die beslissing. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene een nadere termijn is geboden om alsnog zekerheid te stellen.
7. Nu niet kan worden vastgesteld dat de kantonrechter heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 5. is overwogen, dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd. Nu de betrokkene de behandeling van het beroep door het hof zelf verlangt en uit een recent zaakoverzicht dat de griffier van het hof bij het CJIB heeft opgevraagd blijkt dat inmiddels zekerheid is gesteld, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
8. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie van € 38,- opgelegd voor: “6 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 april 2021 om 19:05 uur op de A10 rechts (trajectcontrolesysteem) te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
9. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd tot € 33,-, omdat het sanctiebedrag voor deze gedraging per 1 maart 2022 is verlaagd naar dit bedrag.
10. Ingevolge artikel 1 van Pro het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering geldt ingaande 1 maart 2022 voor gedragingen als deze een lager sanctiebedrag, namelijk € 33,-. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 maart 2022, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:2330, zal het hof het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie matigen tot dat bedrag. Per 1 maart 2023 geldt in verband met onder meer de jaarlijkse indexering het bedrag van € 35,-. Het hof past bij de matiging in aansluiting op het Scoppola-arrest (ECLI:NL:XX:2009:BK6009, r.o. 119) het meest gunstige tarief toe dat tussen de dag van de gedraging en de dag waarop het hof uitspraak doet heeft gegolden, te weten € 33,-.
11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal 4 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.703,25 (1,5 x € 597,- x 0,5) + (3 x € 837,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 33,-;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften te veel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.703,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Broere als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.