ECLI:NL:GHARL:2023:3248

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 april 2023
Publicatiedatum
17 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.316.558/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de WahvArtikel 2, tweede lid, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling advocaat-generaal tot vergoeding proceskosten in Wahv-hoger beroep

De betrokkene was in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een sanctie voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige kaart. De kantonrechter had de sanctie gematigd en een proceskostenvergoeding van €500 toegekend, terwijl de betrokkene een hogere vergoeding van €1.164,75 vorderde. Het hof oordeelt dat de kantonrechter onvoldoende motivering gaf voor de matiging van de proceskostenvergoeding, met name omdat de matiging niet duidelijk verband hield met het aantal proceshandelingen of de zwaarte van de zaak.

Het hof benadrukt dat de vraag of beroepsmatige rechtsbijstand, vooral op basis van no-cure-no-pay, moet worden vergoed, een principiële kwestie is die aan de regelgever toekomt en niet aan de rechter. Het hof vernietigt daarom het besluit van de kantonrechter over de proceskostenvergoeding en stelt een hogere vergoeding vast van €1.494, gebaseerd op forfaitaire bedragen en wegingsfactoren passend bij de aard van de zaak.

De advocaat-generaal wordt veroordeeld tot het betalen van deze proceskosten aan de betrokkene. Het arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het gerechtshof veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van €1.494 aan proceskosten aan de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.316.558/01
CJIB-nummer
: 241477855
Uitspraak d.d.
: 17 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2022, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 319,- inclusief administratiekosten. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van
€ 500,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is gericht tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens de gemachtigde had de kantonrechter het bedrag van € 1.164,75 moeten toekennen. De gemachtigde wijst daarbij op de arresten van het hof met de vindplaatsen ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en ECLI:NL:GHARL:2022:2330 en verzoekt het hof te doen wat de kantonrechter had behoren te doen en tevens een punt voor het hoger beroep toe te kennen.
2. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 310,- omdat het sanctiebedrag voor die gedraging met ingang van 1 maart 2022 is verminderd tot dat bedrag (artikel 1 van Pro het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven).
3. Met betrekking tot de proceskosten heeft de kantonrechter overwogen dat betrokkene gedeeltelijk in het gelijk is gesteld (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, met vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786) en dat de proceskosten van de betrokkene € 1.164,75 (1,5 x € 541,- x 0,5 + 2 x € 759,- x 0,5) bedragen. Verder heeft de kantonrechter overwogen van oordeel te zijn “dat dit bedrag niet in verhouding staat tot de aangepaste hoogte van de verkeersboete (verlaging van € 90,-). Bovendien gaat het om een punt van ondergeschikt belang, namelijk een minimaal gewijzigd inzicht van de wetgever over de hoogte van het boetebedrag. De kantonrechter ziet hierin reden om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) de proceskostenvergoeding te verminderen tot € 500,-.”
4. Artikel 2, tweede lid, van het Bpb luidt aldus:
"Indien een partij of een belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, kan het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag worden verminderd. Het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag kan eveneens worden verminderd indien het beroep bij de bestuursrechter is ingetrokken omdat gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen."
5. Niet in geschil is dat de kantonrechter de betrokkene (slechts) gedeeltelijk in het gelijk heeft gesteld.
6. Artikel 2, tweede lid, van het Bpb biedt in geval een partij slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, de bevoegdheid om het bedrag, dat op grond van het eerste lid van dit artikel is vastgesteld (hier: € 1.164,75) te verminderen. Het gebruik van deze bevoegdheid moet worden gemotiveerd, in het bijzonder waarom het niet redelijk is dat het volle pond wordt vergoed (vergelijk Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting artikel 2, tweede lid, Bpb, Staatsblad 1993, 763). Daarbij is van belang of een partij met minder proceshandelingen het resultaat had kunnen bereiken (zodat het niet redelijk is om alle proceshandelingen te vergoeden) en/of een lagere wegingsfactor voor de noodzakelijk te achten proceshandelingen kan worden gehanteerd.
7. De door de kantonrechter gebezigde argumenten dat het op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bpb vastgestelde bedrag niet in verhouding zou staan tot de matiging van het sanctiebedrag met € 90,- en dat het bij de matiging van het sanctiebedrag zou gaan om een punt van ondergeschikt belang, zijn niet redengevend nu deze niet inzichtelijk maken of proceshandelingen (en zo ja welke) achterwege hadden kunnen blijven en/of voor de noodzakelijk te achten proceshandelingen een lagere wegingsfactor zou kunnen worden gehanteerd. Daarbij merkt het hof op dat de in Wahv-zaken gehanteerde wegingsfactor van 0,5 (gewicht van de zaak = licht) niet alleen geldt in zaken waarin de gedraging niet kan worden vastgesteld of geoordeeld wordt dat oplegging van de sanctie niet billijk is, maar ook in zaken waar het sanctiebedrag wordt gematigd.
8. Voor zover de kantonrechter met de door hem gebezigde motivering tot uitdrukking heeft willen brengen dat de matiging van het sanctiebedrag met € 90,- niet een op grond van het eerste lid vastgesteld bedrag rechtvaardigt, overweegt het hof dat in veel Wahv-zaken de toegekende proceskostenvergoedingen vele malen hoger zijn dan het bedrag van de bij de beschikking opgelegde sanctie. De vraag of en zo ja in hoeverre beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in het bijzonder op basis van no-cure-no-pay verleende rechtsbijstand, in deze zaken moet worden vergoed is principieel van aard. Het ligt op de weg van de regelgever om die vraag te beantwoorden. Beantwoording van deze vraag gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.
9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij op het verzoek om een proceskostenvergoeding is beslist vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
10. Aan het indienen van de beroepschriften bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof en het bijwonen van de zitting bij de kantonrechter dienen in totaal 4 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt thans voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep
€ 837,- Gelet op de aard van de zaak wordt in beroep bij de officier van justitie en de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast en in hoger beroep, waar het geschil is beperkt tot de toekenning van proceskostenvergoeding, 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.494,-
((1,5 x € 597,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,5) + 1 x 837,- x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is beslist op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.494,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.