Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
stichting Jeugdbescherming Overijssel,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2020. De rechtbank Overijssel had bij beschikking van 15 september 2022 de vader samen met de moeder belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader tot gezag af te wijzen. De vader voerde geen verweer.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:253c lid 1 BW een ouder die nooit gezamenlijk gezag heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken om gezamenlijk gezag toe te kennen. Dit verzoek kan echter alleen worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem raakt tussen de ouders of dat afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het hof stelde vast dat er al langere tijd geen communicatie is tussen de ouders en dat zij niet bereid zijn hulpverlening te aanvaarden om dit te verbeteren. De vader heeft geen contact met de minderjarige en heeft zich daarbij neergelegd. Hierdoor heeft de vader onvoldoende zicht op de ontwikkeling van het kind en kan hij geen wezenlijke invulling geven aan het gezag. Pogingen van het hof en de raad om communicatie te bevorderen waren vruchteloos.
Daarom ontbreekt de minimale basis voor gezamenlijk gezag en is afwijzing van het verzoek in het belang van het kind noodzakelijk. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank voor zover deze het gezag betreft en wees het verzoek van de vader af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over de minderjarige te verkrijgen af vanwege het ontbreken van communicatie en samenwerking tussen ouders.