ECLI:NL:GHARL:2023:3272

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
18 april 2023
Zaaknummer
200.322.726
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging toestemming kinderrechter voor overplaatsing minderjarige naar ander pleeggezin

De zaak betreft een geschil over de wijziging van het verblijf van een minderjarige die sinds eind 2020 bij pleegouders woont. De kinderrechter had toestemming gegeven voor overplaatsing naar een netwerkpleeggezin, wat uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. De vader, gezamenlijk gezagsdrager, is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep.

De vader stelt dat zijn opvoedvaardigheden onvoldoende zijn getoetst en dat hij zelf voor zijn kind kan zorgen met professionele hulp. Hij wijst op het recht van het kind om door zijn ouders verzorgd te worden en betoogt dat de overplaatsing de omgang bemoeilijkt en zijn band met het kind schaadt. De pleegouders en aspirant-pleegouders nemen in hoger beroep geen standpunt in.

Het hof oordeelt dat de toestemming voor overplaatsing moet worden verleend omdat het belang van de minderjarige prevaleert. Het perspectiefonderzoek wijst uit dat de minderjarige niet bij de vader kan opgroeien. De overplaatsing is minder belastend in de huidige ontwikkelingsfase. De vader heeft de contactregeling niet nageleefd, wat zijn stelling ondermijnt. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kinderrechter.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en verleent toestemming voor de overplaatsing van de minderjarige naar de aspirant-pleegouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.322.726
(zaaknummer rechtbank Gelderland 410169)
beschikking van 18 april 2023
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1]
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Metin te Arnhem,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
verder te noemen: de moeder,
en
[de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [woonplaats2] ,
en
[de aspirant-pleegouders],
hierna te noemen: de aspirant-pleegouders,
wonende te [woonplaats3] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 10 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 februari 2023;
- het verweerschrift van de GI met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 maart 2023 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
  • de advocaat van de vader;
  • twee vertegenwoordigers namens de GI.
De moeder, de pleegouders en de aspirant-pleegouders zijn allen opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar zijn niet verschenen. Zij hebben ook niet op andere wijze hun mening aan het hof kenbaar gemaakt.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2020 te [plaats1] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 5 maart 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd en loopt nu tot 5 maart 2024.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 5 maart 2021 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin. Deze machtiging is daarna ook steeds verlengd en loopt ook tot 5 maart 2024.
3.4
[de minderjarige] woont sinds eind 2020 bij de pleegouders.
3.5
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 maart 2023 is als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat [de minderjarige] eens in de twee weken een uur begeleid contact heeft met de vader, hetgeen onder regie van de gezinsvoogd kan worden uitgebreid.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] naar een netwerkpleeggezin/voorziening voor pleegzorg. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het gaat om de overplaatsing van [de minderjarige] van de pleegouders naar de aspirant-pleegouders.
4.2
De vader is het niet eens met deze beslissing en komt hiervan in hoger beroep.
De vader verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot overplaatsing alsnog af te wijzen, dan wel een beslissing te geven die het hof juist acht.
4.3
De GI voert verweer en verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Artikel 1:265i Burgerlijk Wetboek (hierna BW) vereist de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Op grond van lid 2 van dit artikel wordt de toestemming door de kinderrechter verleend en slechts afgewezen als de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. Hieruit volgt dat de kinderrechter de toestemming in beginsel verleent tenzij het belang van de minderjarige een andere beslissing noodzakelijk maakt.
Artikel 1:265i BW is geschreven om een rechterlijke toets te verzekeren voor elke verplaatsing van een pleegkind dat minstens één jaar in hetzelfde pleeggezin opgroeit. De strekking van deze regel is dat er in deze situatie tussen het pleegkind en het pleeggezin family life is, dat door de overplaatsing wordt doorbroken
.In het kader van artikel 1:265i BW moet de rechter het belang van het laten voortduren van family life afwegen tegen het belang van het kind in het algemeen.
Alleen als zou worden geoordeeld dat dit in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is, dient de kinderrechter het verzoek om toestemming voor overplaatsing af te wijzen. Dat zou ertoe leiden dat er geen overplaatsing van [de minderjarige] mag plaatsvinden en [de minderjarige] bij de pleegouders moet blijven.
5.2
De vader is het niet eens met de conclusies in het perspectiefonderzoek waaruit volgt dat [de minderjarige] niet door hem zal worden opgevoed.. De vader stelt dat zijn opvoedvaardigheden niet voldoende zijn getoetst, omdat hij maar zeer beperkt contact met [de minderjarige] mag hebben. Hij is van mening dat hij zelf voor [de minderjarige] kan zorgen, zo nodig met professionele hulp en ondersteuning. Deze zal hij accepteren. Hij verwijst naar de rechten van het kind op basis van internationale verdragen, inhoudende dat een kind er recht op heeft om door zijn ouders te worden verzorgd. Vanuit een verblijf bij de pleegouders zal het gemakkelijker voor hem zijn om met de benodigde hulpverlening mogelijk te maken dat [de minderjarige] alsnog bij hem zal gaan opgroeien. Daarom moet de huidige woonsituatie van [de minderjarige] bij de pleegouders niet gewijzigd worden. Verder voert hij nog aan dat de aspirant-pleegouders veel verder bij hem vandaan wonen, wat de omgang met [de minderjarige] zal bemoeilijken en waardoor hij als vader nog verder op de achtergrond zal raken. Voor een goede identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] is het juist belangrijk dat de band tussen hem en [de minderjarige] wordt verstevigd.
5.3
De pleegouders hebben bij de kinderrechter verweer gevoerd tegen de wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] , maar in hoger beroep geen nader standpunt ingenomen. Ook de aspirant-pleegouders hebben in hoger beroep hun standpunt niet kenbaar gemaakt. De GI heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat de pleegouders zich neerleggen bij de beslissing van de kinderrechter en dat inmiddels op basis van een plan dat is opgesteld in overleg met de GI door de beide pleeggezinnen ook al stapsgewijs is toegewerkt naar de overplaatsing van [de minderjarige] . De overplaatsing zal een dezer dagen volledig worden gerealiseerd. Volgens de GI is het ook belangrijk dat de pleegouders hun rol als grootouders van [de minderjarige] weer op een gewone manier kunnen gaan invullen.
5.4
Het hof is van oordeel dat aan de stellingen van de vader voorbij moet worden gegaan. Indien [de minderjarige] niet bij de vader kan opgroeien, zoals uit het perspectiefonderzoek voortvloeit, dan is het in het belang van [de minderjarige] dat de overplaatsing naar de aspirant-pleegouders op korte termijn wordt uitgevoerd. De GI heeft uitgelegd dat de overplaatsing in de huidige ontwikkelingsfase van [de minderjarige] minder belastend en ingrijpend voor haar is dan wanneer zij vier jaar oud wordt en ook naar de basisschool zal gaan.
Gebleken is dat de vader de laatste maanden de contactregeling met [de minderjarige] niet heeft uitgevoerd, omdat hij het lastig vindt hoe hij moet omgaan met de conclusies en beslissingen die de GI heeft genomen en hij de situatie niet goed meer aankan. Dat de situatie de vader teveel is geworden vindt het hof verdrietig, maar zijn besluit gaat ten koste van de band die hij met [de minderjarige] heeft opgebouwd. Deze keuze van de vader wringt met zijn stelling dat zijn opvoedvaardigheden niet voldoende kunnen worden getoetst, omdat hij maar zeer beperkt contact met [de minderjarige] mag hebben. Bovendien blijkt daaruit dat het voor de vader moeilijk is om het belang van [de minderjarige] bij contact met haar vader voorop te stellen. Het argument van de vader dat de pleegouders dichterbij wonen waardoor hij meer mogelijkheden tot omgang heeft, passeert het hof ook met het oog op voormeld besluit van de vader om [de minderjarige] al geruime tijd (en terwijl ze nog bij de pleegouders woonde) niet te zien. De GI heeft bovendien toegelicht dat er een zorgaanbieder bereid is gevonden voor vervoer te zorgen en die de contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] kan begeleiden op een neutrale locatie op de helft van de reisafstand voor de vader naar de aspirant-pleegouders. Niet duidelijk is of de vader hiervan gebruik gaat maken.
5.5
Op grond van het hiervoor onder 5.4 overwogene is het hof, net als de kinderrechter, van oordeel dat toestemming moet worden verleend voor een wijziging van het verblijf van [de minderjarige] van de pleegouders naar de aspirant pleegouders. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 10 november 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, S. Kuijpers en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door de griffier, en is op 18 april 2023 uitgesproken in het openbaar door mr. S. Kuijpers in tegenwoordigheid van de griffier.