ECLI:NL:GHARL:2023:3398

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 april 2023
Publicatiedatum
20 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.315.291/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 24 RVV 1990Art. 11 WAHVArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor parkeren voor in-/uitrit met wijziging feitcode en sanctiebedrag

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd voor het hinderlijk op de weg laten staan van een voertuig, feitcode R395, op 28 februari 2021 in Roermond. De betrokkene stelde dat een onjuiste feitcode was gebruikt en dat feitcode R397b (parkeren voor een in-/uitrit) van toepassing was.

Uit de verklaringen van de ambtenaar bleek dat het voertuig daadwerkelijk voor een in-/uitrit stond, wat een overtreding is van artikel 24 RVV Pro 1990. Het hof oordeelde dat de ambtenaar ten onrechte de hogere sanctie voor de algemenere overtreding had opgelegd, terwijl een specifieke feitcode met een lagere sanctie van toepassing was.

Het hof wijzigde daarom de feitcode naar R397b, verlaagde het sanctiebedrag naar €100 en vernietigde de eerdere beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.284,75.

Uitkomst: Het hof wijzigt de feitcode en verlaagt de sanctie van €150 naar €100 wegens onjuiste toepassing van de discretionaire bevoegdheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.315.291/01
CJIB-nummer
: 239868865
Uitspraak d.d.
: 20 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 24 juni 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd
van € 150,- voor feitcode R395: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht
op 28 februari 2021 om 16:45 uur op de Lindanusstraat in Roermond met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan - voor zover hier van belang - dat de betrokkene zich op het standpunt stelt dat een onjuiste feitcode is gebruikt. Indien sprake is van een bijzondere norm prevaleert deze boven de algemene norm, zodat in deze zaak feitcode R397b had dienen te worden gebruikt.
3. De onder 1. genoemde gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dat luidt - voor zover van belang -:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig voor een in-/uitrit stond. Deze uitrit is bedoeld voor invaliden die vanaf het wooncomplex ‘De Lombardije’ richting de Lindanusstraat de rijbaan op willen gaan. Het voertuig blokkeerde deze doorgang door het parkeren voor het verlaagde stuk trottoir.”
5. De ambtsedige verklaring van de ambtenaar, zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 12 april 2021, houdt onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende in:
Er wonen veel senioren en mindervaliden in het wooncomplex. De in-/uitrit werd aangeduid door een verlaagd trottoir. Het voertuig blokkeerde de doorgang door het parkeren voor het verlaagde stuk trottoir.
6. De ambtsedige verklaring van de ambtenaar, zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 26 april 2021, houdt onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende in:
Er zijn vele klachten van inwoners van het wooncomplex binnengekomen over het parkeren voor het verlaagd stuk trottoir. Men ervaart dit als hinderlijk. Om een goede basis voor het afslepen te waarborgen is gekozen voor het gebruik van feitcode R395.
7. Uit bovengenoemde verklaring van de verbalisant blijkt dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd voor een in-/uitrit. Dit wordt door of namens de betrokkene ook niet ontkend.
8. Deze gedraging is een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) dat luidt:
“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren: (…) voor een inrit of uitrit”.
9. Het hof stelt vast dat daarmee de gedraging "als bestuurder een voertuig parkeren voor
een inrit of uitrit", met feitcode R397b is verricht. De bij deze feitcode behorende sanctie
bedraagt € 100,-
10. De ambtenaar heeft een sanctie opgelegd voor de gedraging "voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd", gebaseerd op artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet. Alhoewel uit de verklaring van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal blijkt dat door de gedraging (mogelijk ook) hinder wordt of kon worden veroorzaakt, heeft de ambtenaar naar het oordeel van het hof in dit geval ten onrechte gekozen voor het opleggen van een sanctie voor deze gedraging. Weliswaar heeft de ambtenaar een discretionaire bevoegdheid, maar dit neemt niet weg dat in een dergelijk geval, waarin een speciale feitcode is opgenomen voor de specifieke gedraging 'parkeren voor een in-/uitrit', het de ambtenaar niet vrijstond om te schrijven voor de algemenere bepaling van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet, waarop een hogere sanctie is bepaald. Het oneigenlijke argument van de ambtenaar dat aldus een afsleepmogelijkheid van het voertuig wordt gegarandeerd - wat ook van de juistheid van deze stelling zij - maakt dat niet anders. Hierbij acht het hof mede van belang dat in de gedraging 'parkeren voor een in-/uitrit' reeds het (mogelijk) veroorzaken van hinder is verdisconteerd.
11. Het hof stelt derhalve vast dat in de inleidende beschikking niet de juiste feitcode is gebezigd en dat de omschrijving van de gedraging daarin dientengevolge evenmin juist is.
12. In het geval de betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad, is het - ook in hoger beroep - mogelijk om de feitcode en de daaraan gekoppelde omschrijving van de gedraging te wijzigen. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene daardoor niet in zijn verdediging geschaad, omdat uit de beroepschriften blijkt dat hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. Verder is het bedrag van de sanctie behorend bij feitcode R397b niet hoger dan het bedrag van de sanctie die de betrokkene is opgelegd.
13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie vernietigen, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaren en de inleidende beschikking wijzigen in zoverre dat daarin als feitcode, omschrijving van de gedraging en sanctiebedrag worden vermeld: "R397b", "als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" en "€ 100,-".
14. Het vorenstaande betekent dat hetgeen overigens door de gemachtigde naar voren is gebracht geen bespreking meer behoeft.
15. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.284,75. (= 1,5 x € 597,- x 0,5 + 2 x € 837,- x 0,5).
16. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat daarin als feitcode, omschrijving van de gedraging en sanctiebedrag worden vermeld:
"R397b", "als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" en "€ 100,-";
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de WAHV teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.284,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.