ECLI:NL:GHARL:2023:3469

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 april 2023
Publicatiedatum
25 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.313.209/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctie kentekenhouder wegens onvoldoende staandehouding bij rood knipperend overweglicht

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het doorrijden bij een rood knipperend overweglicht op 14 februari 2021. De kantonrechter wijzigde de feitcode en omschrijving, maar handhaafde de sanctie tegen de kentekenhouder. De betrokkene stelde dat de ambtenaren geen poging tot staandehouding hadden gedaan, terwijl dit volgens artikel 5 Wahv Pro vereist is om de bestuurder te kunnen identificeren.

Het hof oordeelt dat uit de verklaringen van de ambtenaar onvoldoende blijkt dat staandehouding onmogelijk was. Hoewel de ambtenaar stelde dat het vanwege de omstandigheden niet veilig was om een stopteken te geven, is onvoldoende gemotiveerd waarom er niet op een andere wijze een stopteken kon worden gegeven, bijvoorbeeld door het dienstvoertuig te keren. De ambtenaren waren in uniform en reden in een opvallend dienstvoertuig en stonden stil bij de spoorwegovergang.

Het hof vernietigt daarom de beslissing van de officier van justitie en de sanctie tegen de kentekenhouder. Tevens wordt de proceskostenvergoeding van € 1.777,38 aan de betrokkene toegekend. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op 25 april 2023 te Leeuwarden.

Uitkomst: De sanctie aan de kentekenhouder wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat staandehouding niet mogelijk was.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.209/01
CJIB-nummer
: 239410647
Uitspraak d.d.
: 25 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 29 april 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, die beslissing vernietigd ten aanzien van de feitcode en omschrijving van de gedraging en de inleidende beschikking gedeeltelijk gewijzigd. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 1.232,38.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “R604 - doorrijden bij een tweekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 februari 2021 om 18.39 uur op de Wilhelminalaan in Echt met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd in
“R608 - niet stoppen voor een rood knipperend overweglicht”.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat staandehouding niet gelukt was, maar het feit is dat het niet eens is geprobeerd. Bij voorbaat ging men er vanuit dat het onmogelijk was, maar dat is niet gebleken. De ambtenaren hadden kunnen uitstappen en een stopteken kunnen geven, signalen kunnen geven of het dienstvoertuig kunnen keren en het voertuig kunnen doen stoppen.
4. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
5. In dit verband is in het zaakoverzicht opgenomen dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden, omdat het niet mogelijk was een stopteken te geven.
6. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart dat hij en zijn collega in uniform waren en in een opvallend dienstvoertuig reden en dat het betreffende voertuig hen tegemoetkwam bij de spoorwegovergang. Ten aanzien van de mogelijkheid tot staandehouding verklaart de ambtenaar onder meer:
“Gezien de omstandigheden waarin het doorrijden plaatsvond, de verhoogde snelheid, donker, de afstand die de bestuurder hoefde af te leggen ten opzichte van mij, losmaken gordel, voertuig aan passagierszijde verlaten en dan voor een personenauto springen om een stopteken te geven die sneller reed dan 50 km/uur als ik dat dan al gehaald zou hebben. (…) Wanneer ik dat op deze wijze zou gedaan kunnen hebben, dan dwing ik een bestuurder iemand aan te rijden. Die bestuurder verwacht namelijk niet dat plots iemand voor zijn auto opduikt.”
7. Naar het oordeel van het hof volgt uit de verklaringen van de ambtenaar onvoldoende dat er in dit geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Er was sprake van een spoorwegovergang die dicht ging, waar de ambtenaren voor stopten en waar ze toen zagen dat een tegemoetkomend voertuig nog over de overgang reed nadat de lichten waren gaan knipperen. Van een ambtenaar wordt niet gevergd dat deze dan onmiddellijk uit de auto stapt om op die manier een stopteken te geven, zoals de ambtenaar beschrijft. In dit geval is echter onvoldoende duidelijk waarom de ambtenaren niet op een andere manier de mogelijkheid hadden tot het geven van een stopteken. Ze waren immers in uniform in een opvallend dienstvoertuig en stonden stil voor een sluitende spoorwegovergang, waardoor ze hun voertuig hadden kunnen keren om het voertuig van de betrokkene te volgen. Onder die omstandigheden is de verklaring dat het voertuig doorreed, de verhoogde snelheid van het voertuig en de omstandigheid dat het donker was, onvoldoende om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid was om de identiteit van de bestuurder vast te stellen.
8. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep op 6 mei 2021 een half punt en op 15 september 2021 een kwart punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.777,38 (= (1,75 x € 597,- x 0,5) + ( 3 x € 837,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.777,38.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.