In deze zaak zijn de ouders in hoger beroep gegaan tegen een voorlopige zorgregeling die door de rechtbank is vastgesteld. De vader verzet zich tegen de wijziging van de zorgregeling en het uitblijven van direct contact met zijn zoon, terwijl de moeder en de raad voor de rechtspraak het belang van continuïteit en rust voor de kinderen benadrukken.
De feiten betreffen drie minderjarige kinderen met een hoofdverblijfplaats verdeeld over beide ouders. Er is sprake van een ouderschapsplan en eerdere rechterlijke beslissingen over de zorg- en verblijfregeling. De rechtbank heeft de zorgregeling gewijzigd en een onderzoek gelast naar het gezag en de zorgregeling.
Tijdens de zitting heeft het hof de belangen van de kinderen centraal gesteld, met name het belang van stabiliteit en het voorkomen van spanningen tussen ouders. Het hof acht zich onvoldoende geïnformeerd om de regeling te wijzigen en wijst het verzoek van de vader af, waarbij het contact met zijn zoon voorzichtig en met professionele ondersteuning moet worden opgebouwd.
De voorlopige zorgregeling blijft van kracht, waarbij de kinderen om de week een weekend bij de vader verblijven, en het contact met de zoon wordt niet geforceerd hersteld. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het meer of anders verzochte af.