ECLI:NL:GHARL:2023:3507

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 april 2023
Publicatiedatum
25 april 2023
Zaaknummer
200.319.836
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof wijst aanhouding procedure ouderschapsregeling toe in belang minderjarige

Partijen zijn ouders van een minderjarige geboren in 2015, die bij de moeder woont. In het ouderschapsplan van 2019 is een zorgregeling opgenomen, maar partijen zijn het oneens over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken. De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking die hem beperkte omgang toekent.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat ouderschapsbemiddeling is gestart en dat de communicatie verbetert. De moeder maakt zich zorgen over de toekomst vanwege de bindings- en verlatingsangst van de minderjarige, maar erkent dat de vader afspraken momenteel nakomt. De raad adviseert aanhouding van de procedure om het bemiddelingstraject te laten slagen.

Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat ouders de kans krijgen onder professionele begeleiding tot afspraken te komen en besluit de procedure voor zes maanden aan te houden. Partijen worden verzocht uiterlijk 19 september 2023 te rapporteren over de voortgang, waarna de zaak op 3 oktober 2023 wordt voortgezet.

Uitkomst: De behandeling van de zaak wordt voor zes maanden aangehouden om ouderschapsbemiddeling mogelijk te maken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.319.836
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541552)
beschikking van 25 april 2023
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. G. Demir te Gilze, gemeente Gilze en Rijen,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B. Valeton te Nieuwegein.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 8 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking hierna noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 12 december 2022;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. B. Valeton van 13 maart 2023 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 28 maart 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr. R. van Kerkhof, waarnemend voor mr. G. Demir;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
3.2
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2015 te [plaats1] , over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.3
[de minderjarige] woont bij de moeder.
3.4
In het ouderschapsplan van 8 oktober 2019 zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen waarin onder andere is bepaald dat [de minderjarige] om het weekend bij de vader is en de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld, waarbij [de minderjarige] in de zomervakantie drie weken bij de vader is en drie weken bij de moeder.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] . Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, (met wijziging van de beschikking waarin het ouderschapsplan van 8 oktober 2019 is opgenomen) bepaald dat [de minderjarige] bij de vader is:
- eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- iedere dinsdagmiddag uit school tot 19.00 uur;
- waarbij de vader [de minderjarige] haalt en brengt.
4.2
De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en:
I. Primair:
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (alsmede het ouderschapsplan van 8 oktober 2019) te wijzigen in die zin dat [de minderjarige] bij de vader is in even weken, waarbij het wisselmoment is op zondagmiddag om 17.00 uur, de helft van de vakanties en feestdagen (in onderling overleg jaarlijks te verdelen) en dat de vader [de minderjarige] haalt en brengt als er gewisseld moet worden, waarvoor de moeder de vader een vergoeding betaalt.
II. Subsidiair:
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (alsmede het ouderschapsplan van 8 oktober 2019) te wijzigen zoals het hof in het belang van [de minderjarige] acht.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de man af te wijzen en te bepalen dat ieder van partijen zijn of haar eigen proceskosten draagt.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
5.2
Door de vader is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren gebracht dat de ouders recent zijn gestart met ouderschapsbemiddeling bij het Sociaal Team. Volgens de vader is de communicatie tussen de ouders al enigszins verbeterd en is er sprake van een stijgende lijn. De vader verzoekt het hof de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomsten van dit traject.
5.3
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren gebracht dat [de minderjarige] last heeft van bindingsangst en verlatingsangst. [de minderjarige] volgt hiervoor therapie bij [naam1] . De moeder stelt dat de vader afspraken op dit moment goed nakomt en de communicatie tussen de ouders is verbeterd. De moeder maakt zich wel zorgen over de toekomst, zij vreest dat de vader [de minderjarige] opnieuw zal teleurstellen. De moeder heeft het hof gevraagd om een eindbeslissing. Ingeval het hof de procedure toch aanhoudt vraagt de moeder om een aanhouding van negen maanden.
5.4
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd om de procedure aan te houden voor een periode van zes maanden. De raad benadrukt dat het nu goed gaat en dat ouders aan hun communicatie werken, maar dat er nog wel een aantal stappen gezet moeten worden. Zo is er vanuit de moeder veel wantrouwen en zou het goed zijn als de vader probeert te kijken wat er voor [de minderjarige] haalbaar is. De raad gunt het [de minderjarige] dat ouders de kans krijgen om samen tot afspraken te komen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
5.5
Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat de ouders de kans krijgen om in onderling overleg, onder begeleiding van een professional, tot afspraken te komen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Zij zijn daarvoor inmiddels een ouderschapsbemiddelingstraject gestart dat nog enige tijd zal duren. De ouders zijn positief daarover en hebben verteld dat hun communicatie al iets is verbeterd. Ook is er een omgangsmoment geweest met [de minderjarige] waarbij de ouders samen met haar een activiteit hebben ondernomen. Het hof is net als de raad van mening dat aan de ouders, in het belang van [de minderjarige] , de tijd moet worden gegund om hun communicatie te verbeteren, zodat zij hun gezamenlijk ouderschap voor [de minderjarige] beter vorm kunnen geven en [de minderjarige] op een onbelaste wijze contact kan hebben met beide ouders. Het hof zal dan ook de behandeling van de zaak aanhouden voor de duur van zes maanden om de ouders die gelegenheid te geven. Aanhouding voor een langere termijn, zoals door de moeder verzocht, acht het hof gelet op de hiermee samenhangende onzekerheid niet in het belang van [de minderjarige] .
5.6
Het hof verzoekt (de advocaten van) partijen het hof uiterlijk op 19 september 2023 te berichten over de resultaten dan wel de voortgang van de ouderschapsbemiddeling. Partijen dienen het hof, onder opgave van redenen, eerder te informeren indien het traject vroegtijdig wordt beëindigd.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verzoekt (de advocaten van) partijen het hof uiterlijk op 19 september 2023 te berichten over de resultaten dan wel de voortgang van de ouderschapsbemiddeling bedoeld in 5.5;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op 3 oktober 2023, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, mr. M.H.F. van Vugt en L. Hamer, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 25 april 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.