Partijen zijn de ouders van een minderjarig kind, geboren in 2017, en oefenen sinds augustus 2021 gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De moeder verhuisde in de zomer van 2021 met het kind naar een andere woonplaats, waarna het kind doordeweeks bij de vader verblijft en in het weekend bij de moeder. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld met een zorgregeling voor de vader.
De vader kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om de hoofdverblijfplaats bij hem vast te stellen, met een aangepaste zorgregeling en schoolwissel voor het kind. De moeder kwam in incidenteel hoger beroep met het verzoek om vervangende toestemming voor inschrijving op een school in haar woonplaats.
Het hof oordeelde dat de verhuizing van de moeder zonder overleg met de vader het contact tussen ouders heeft verstoord, maar dat het belang van het kind bij continuïteit en stabiliteit doorslaggevend is. Het hof volgt het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en bepaalt dat het kind zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor schoolinschrijving wordt afgewezen. De zorgregeling wordt vastgesteld met een verdeling van weekenden, vakanties en feestdagen, waarbij het contact tussen ouders in goed overleg wordt ingevuld.