Uitspraak
[kind1] ,
[kind2] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De rechthebbende heeft bij beschikking van 20 januari 2014 een bewind opgelegd gekregen vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand die haar belemmerde haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
Zij verzocht op 29 december 2021 de kantonrechter het bewind op te heffen, maar dit verzoek werd bij beschikking van 8 april 2022 afgewezen. In hoger beroep heeft de rechthebbende aangevoerd dat de grondslag van het bewind onjuist is en dat het bewind opgeheven moet worden omdat er geen schulden meer zijn en zij haar financiën zelf kan regelen.
Het hof oordeelt dat de grondslag van het bewind ongewijzigd is de lichamelijke of geestelijke toestand en dat de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzaak voor het bewind is komen te vervallen. Ook de stelling dat het bewind niet zinvol is, wordt verworpen vanwege het ontbreken van medische onderbouwing en het feit dat de bewindvoerder stelt dat de rechthebbende structureel meer geld vraagt dan beschikbaar is.
Daarnaast zijn klachten over de uitvoering van het bewind en de wijziging van de rechtsvorm van de bewindvoerder onvoldoende voor opheffing. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en handhaaft het bewind.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de weigering tot opheffing van het bewind omdat de noodzaak vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand blijft bestaan.