ECLI:NL:GHARL:2023:4117

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2023
Publicatiedatum
15 mei 2023
Zaaknummer
Wahv 200.314.524
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 7:24 AwbArt. 4:17 AwbArt. 2:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid en dwangsom in bestuursstrafzaak Wahv

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een administratiefrechtelijke verkeerssanctie opgelegd op grond van de Wahv. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Het hof oordeelt dat het beroepschrift wel degelijk een beroepsgrond bevatte, namelijk de schending van de hoorplicht, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. Het hof vernietigt daarom deze beslissing en beoordeelt het beroep inhoudelijk.

De inhoudelijke beoordeling leidt tot het oordeel dat de hoorplicht inderdaad is geschonden, waardoor het beroep gegrond is. De sanctie van €257,- wegens 27 km/u te hard rijden buiten de bebouwde kom wordt echter gehandhaafd omdat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd gezien het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding.

Verder is vastgesteld dat de officier van justitie weliswaar niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist, maar binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, zodat geen dwangsom is verbeurd. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond en vernietigt diens beslissing, maar verklaart het beroep tegen de sanctie ongegrond en wijst dwangsom en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring, verklaart het beroep gegrond wegens schending hoorplicht, maar wijst het beroep tegen de sanctie, dwangsom en proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.524/01
CJIB-nummer
: 237355379
Uitspraak d.d.
: 15 mei 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 24 juni 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat geen gronden van het beroep zijn ingediend, ook niet nadat daartoe gelegenheid was geboden.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het beroep niet niet-ontvankelijk kon verklaren, omdat het beroepschrift van 14 augustus 2021 al een beroepsgrond bevatte.
3. Deze grond slaagt. Het hof stelt vast dat in het beroepschrift bij de kantonrechter van
14 augustus 2021 door de gemachtigde is aangevoerd dat vooraf wordt gesteld dat de hoorplicht is geschonden. Daarmee bevat het beroepschrift een beroepsgrond en kon de kantonrechter het beroep niet niet-ontvankelijk verklaren in verband met het ontbreken daarvan. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking kennelijk ongegrond verklaard.
5. De door de gemachtigde aangevoerde grond dat de hoorplicht is geschonden, treft doel. Uit de beslissing van de officier van justitie kan worden afgeleid dat er nader onderzoek is gedaan naar de stukken in het dossier, zodat het beroep niet kennelijk ongegrond is. Er doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. In het licht van bestendige vaste rechtspraak van het hof behoeft dit geen nadere motivering. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 257,- voor: “27 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 oktober 2020 om 11.01 uur op de A200 li hmp 10.1 in Spaarndam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
7. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd. In het zaakoverzicht is onvoldoende gemotiveerd waarom een staandehouding niet mogelijk was. Ook een solo statische controle is op zichzelf bezien onvoldoende reden om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9.
In het zaakoverzicht is in dit verband verklaard dat geen staandehouding mogelijk was doordat de overtreding met een mobiele radar is geconstateerd. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar verklaart dat het hier een statische eenmanscontrole zonder opvang betrof.
10. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit genoegzaam dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was omdat de ambtenaar de controle alleen heeft uitgevoerd. De sanctie mocht daarom aan de betrokkene als kentekenhouder worden opgelegd. De grond treft geen doel. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.
11. Verder voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie niet tijdig op het beroep heeft beslist en daarom een dwangsom verschuldigd is. De ingebrekestelling is op 17 juni 2021 geüpload in het Digitaal Loket Verkeer, zodat van deze datum moet worden uitgegaan als datum van ontvangst. Ter onderbouwing heeft hij een afschrift van de ingebrekestelling overgelegd met daarbij een melding van het openbaar ministerie waar op staat dat het document succesvol is verstuurd en dat de aanvulling voor het beroep met het onderhavige CJIB-nummer op 17 juni 2021 om 13.14 uur is verstuurd. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat er niet eerder beslist is dan op 13 juli 2021, en dus niet op 5 juli 2021. De gemachtigde verwijst naar een kopie van de beslissing van de officier van justitie afkomstig van het CJIB, waarop als datum vermeld staat 13 juli 2021. Ook de termijn voor het instellen van beroep ging niet eerder lopen dan met ontvangst van de beslissing die is gedateerd 13 juli 2021.
12. Artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. Artikel 4:17, derde lid, van de Awb houdt, in dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
13.
Het hof stelt vast dat de inleidende beschikking aan de betrokkene is verstuurd op
10 november 2020. De termijn om te beslissen liep af op 13 april 2021. De gemachtigde heeft per brief van 15 juni 2021 de officier van justitie in gebreke gesteld. Op de envelop bevindt zich een ontvangststempel met datum 21 juni 2021. Daarnaast bevindt zich in het dossier een op 5 juli 2021 gedateerde beslissing op het administratief beroepschrift. De advocaat-generaal heeft de verzendadministratie met betrekking tot de verzending van de beslissing overgelegd.
14.
Niet in geschil is dat de officier van justitie niet binnen de termijn van zestien weken heeft beslist. De vraag die voorligt, is of de officier van justitie heeft beslist binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling. In dit verband is van belang dat in artikel 2:15, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan kan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend.
15. De advocaat-generaal heeft in dit verband toegelicht dat in het Digitaal Loket Verkeer de melding wordt weergegeven dat Woo-verzoeken, AVG-verzoeken, klachten of ingebrekestellingen niet via het loket in behandeling worden genomen. Naar het oordeel van het hof is daarmee het indienen van een ingebrekestelling via elektronische weg door deze te uploaden via het Digitaal Loket Verkeer, zoals de gemachtigde in dit geval stelt te hebben gedaan, uitgesloten door het bestuursorgaan. Daarom gaat het hof uit van de ontvangstdatum van de per post verstuurde ingebrekestelling, namelijk 21 juni 2021.
16. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie pas heeft beslist op 13 juli 2021, overweegt het hof dat dit niet juist is. Op 13 juli 2021 is door het CJIB de beslissing van de officier van justitie verstuurd. In dit geval heeft de officier van justitie echter reeds per separate brief van 5 juli 2021 de beslissing en motivering daarvan kenbaar gemaakt. Daar wordt in de brief van het CJIB ook naar verwezen. Dat voor de termijn om beroep in te stellen aansluiting wordt gezocht bij de verzenddatum van de brief van het CJIB maakt dit niet anders. De betrokkene wordt pas in de brief van het CJIB voor het eerst gewezen op de mogelijkheden voor het instellen van beroep.
17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de officier van justitie binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling heeft beslist. Daarom is geen dwangsom verbeurd.
18. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek tot vaststellen van een dwangsom af;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.