ECLI:NL:GHARL:2023:4206

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 mei 2023
Publicatiedatum
16 mei 2023
Zaaknummer
Wahv 200.317.825/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden wegens twijfel kentekenwaarneming

De betrokkene werd een administratieve sanctie van €250 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 19 augustus 2021 op de Utrechtsebaan (A12) in Voorburg met een voertuig met een specifiek kenteken. De betrokkene ontkende stellig dat zij en haar voertuig op die locatie waren en onderbouwde dit met een getuigenverklaring en een rapportage uit het zorgsysteem waarin stond dat zij haar moeder die avond naar bed bracht in een verzorgingshuis.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof stelde vast dat gelet op de afstand tussen de locaties en de tijdstippen het onmogelijk was dat de betrokkene met het voertuig op de pleeglocatie aanwezig was. Daarnaast bleek uit het RDW-register dat meerdere voertuigen van hetzelfde merk en type met vergelijkbare kleuren rondrijden, waardoor twijfel ontstond over de juistheid van de kentekenwaarneming.

De verklaring van de ambtenaar dat het voertuig met het genoemde kenteken werd waargenomen, was onvoldoende om de gedraging aan het voertuig van de betrokkene te koppelen. Het hof vond dat een nadere toelichting van de ambtenaar nodig was, maar besloot deze niet te vragen vanwege de datum van de gedraging en het gevoerde verweer. Daarom werd de sanctiebeschikking vernietigd en de proceskosten van de betrokkene vergoed.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt vernietigd vanwege twijfel over de juiste kentekenwaarneming.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.317.825/01
CJIB-nummer
: 243641319
Uitspraak d.d.
: 16 mei 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 juli 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 augustus 2021 om 18:58 uur op de Utrechtsebaan (A12) in Voorburg met het voertuig met het kenteken [kenteken1] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene en haar voertuig niet op de pleeglocatie aanwezig zijn geweest. In het kader van die stelling heeft de gemachtigde aangevoerd dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden. De kantonrechter heeft voornamelijk naar de rechtmatigheid van het niet staande houden gekeken. Uit raadpleging van het RDW-register blijkt dat er meerdere voertuigen van hetzelfde merk en type met gelijkende kleuren rondrijden in Nederland. De gemachtigde heeft enkele uitdraaien uit het RDW-register overgelegd. Eerder in de procedure heeft de gemachtigde een getuigenverklaring overgelegd waaruit blijkt dat de betrokkene en haar voertuig om 17:45 uur nog aanwezig was op het adres [adres] te [plaats1] . Vervolgens is de betrokkene vertrokken naar verzorgingshuis [naam1] , waar zij haar moeder omstreeks 19:30 uur naar bed heeft gebracht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de betrokkene een rapportage uit het zorgsysteem Caren-zorgt overgelegd van 19 augustus 2021, 22:02 uur, waarin staat vermeld: “dochter heeft mevrouw naar bed toe gebracht”. Een enkele reis vanaf [plaats1] naar de pleeglocatie neemt al minimaal 2 uur in beslag, zodat de betrokkene onmogelijk om 18:58 uur op de pleeglocatie kan zijn geweest.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik, verbalisant, stond op genoemde locatie alwaar een aanrijding had plaatsgevonden. 1 rijbaan was nog geopend voor het overige verkeer. Ik zag genoemd voertuig voorbij de aanrijding rijden. Ik zag de bestuurder gebruik maken van een mobiele telefoon. Ik zag dat de bestuurder deze in zijn handen hield tijdens het rijden. (…)
Opgaven verbalisant:
Merk van voertuig: Ford
Type van voertuig: Fiesta
Kleur van voertuig: grijs (…)
Reden geen staandehouding: doordat wij druk bezig waren met de eerste hulp verlening bij de aanrijding en het onderzoek kon de bestuurder niet worden aangesproken.”
5. Gelet op hetgeen door en namens de betrokkene gedurende de gehele procedure consistent en vasthoudend is aangevoerd, is bij het hof gerede twijfel ontstaan of de onderhavige gedraging is verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken1] . Door en namens de betrokkene is gedurende de gehele procedure aangevoerd dat de betrokkene en haar voertuig niet op de pleeglocatie zijn geweest ten tijde van het vaststellen van de gedraging. Ongeveer een uur en kwartier vóór het tijdstip van de gedraging was zij nog met haar voertuig in [plaats1] , en later op de avond, ná het tijdstip van de gedraging, was zij in een verzorgingshuis in [woonplaats] waar zij haar moeder naar bed heeft gebracht. De betrokkene heeft haar verklaring onderbouwd met een getuigenverklaring waarin staat vermeld dat het voertuig met genoemd kenteken om 17:45 uur nog aanwezig was op het adres [adres] te [plaats1] en dat de eigenaar van het voertuig (de betrokkene) daarna in het voertuig is vertrokken naar [woonplaats] , en daarnaast met een uitdraai uit het zorgsysteem waaruit blijkt dat zij haar moeder die avond naar bed heeft gebracht.
6. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het, gelet op de afstand tussen genoemde plaatsen, niet mogelijk is dat met het voertuig in dat tijdsbestek van Limburg naar Voorburg en terug is gereden.
7. Voorts heeft de gemachtigde uitdraaien uit het RDW-register overgelegd waaruit blijkt dat de voertuigen met de kentekens [kenteken2] , [kenteken3] , [kenteken4] , [kenteken5] en [kenteken6] eveneens Ford Fiesta’s zijn.
8. Gelet op het specifieke en consistente verweer van de betrokkene is de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht dat het voertuig met genoemd kenteken, een grijze Ford Fiesta, is waargenomen, niet voldoende om de door de ambtenaar gedane waarneming te koppelen aan het voertuig van de betrokkene. Het hof merkt hierbij nog op dat een staandehouding niet heeft plaatsgevonden omdat de ambtenaar bezig was met eerste hulp verlening bij een aanrijding.
In het licht van het van meet af aan gevoerde verweer, was een nadere toelichting van de ambtenaar, waarin wordt ingegaan op hoe hij het kenteken heeft waargenomen en genoteerd, aangewezen geweest. Het hof zal in deze fase van de procedure, ook in aanmerking genomen de datum van de gedraging, de advocaat-generaal niet alsnog verzoeken om deze ontbrekende informatie. Bij deze stand van zaken kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal als volgt beslissen.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 837,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.