ECLI:NL:GHARL:2023:4215

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 mei 2023
Publicatiedatum
16 mei 2023
Zaaknummer
Wahv 200.307.851/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging sanctie voor niet tijdig APK-keuren ondanks coronamaatregelen

De betrokkene kreeg een sanctie van €400 wegens het niet tijdig laten keuren van een voertuig, welke door de kantonrechter werd gematigd tot €200. De betrokkene voerde overmacht aan vanwege coronamaatregelen die de keuring bemoeilijkten en stelde dat het bedrag verder gematigd moest worden. Het hof oordeelde dat de coronamaatregelen geen beletsel vormden om tijdig te keuren of het kenteken te schorsen, en dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet anders kon handelen.

Het beroep op overmacht en schending van beginselen van behoorlijk bestuur werd verworpen. De matiging door de kantonrechter bleef in stand om de betrokkene niet slechter te stellen dan zonder hoger beroep. De hoorplicht werd niet geschonden nu de betrokkene met gemachtigde procedeerde. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

De uitspraak bevestigt dat eigen verantwoordelijkheid van de kentekenhouder centraal staat bij APK-verplichtingen, ook tijdens uitzonderlijke omstandigheden zoals de coronapandemie.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de sanctie tot €200 en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.307.851/01
CJIB-nummer
: 233864241
Uitspraak d.d.
: 16 mei 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F. Klunne (MKB juristen), kantoorhoudende te Rotterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 200,-. Verder heeft de kantonrechter bepaald dat wat te veel aan zekerheid is gesteld wordt terugbetaald. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 524,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Daarnaast is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 21 december 2022 is nog een schriftelijk standpunt ten behoeve van de advocaat-generaal binnengekomen.
Op 25 april 2023 heeft de gemachtigde van de betrokkene nog aanvullende stukken ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 2 mei 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor motorrijtuig of aanhangwagen van meer dan 3500 kg is geldigheid keuringsbewijs verlopen”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 28 mei 2020 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 200,-.
2. De gemachtigde van de betrokkene erkent dat betrokkene zijn voertuig te laat heeft laten keuren, maar voert aan dat sprake was van overmacht, dan wel dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd naar nihil vanwege de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Vanwege de coronamaatregelen was het voor de betrokkene niet mogelijk om zijn voertuig tijdig te laten keuren. Het voertuig moest voor 27 maart 2020 zijn gekeurd. De betrokkene had tijdig een afspraak met de RDW gemaakt voor een keuring op 26 maart 2020. Deze afspraak is door de coronamaatregelen, die vanaf 15 maart 2020 golden, echter komen te vervallen. Dit is de betrokkene telefonisch medegedeeld door een medewerker van de RDW. Dit wordt bevestigd in de uitspraak van de Raad van State van 22 februari 2023. Toen er weer (beperkt) keuringen mogelijk waren, was dit voor de betrokkene alsnog lastig gelet op zijn hoge leeftijd en zijn gezondheidssituatie. Zodra het voor hem weer mogelijk was heeft de betrokkene zijn voertuig op 22 juli 2020 alsnog laten keuren. Een schorsing van de tenaamstelling van het voertuig in het kentekenregister was niet mogelijk, omdat een geschorst voertuig niet op de openbare weg mag staan en stallingen en campings gesloten waren. Bovendien is de mogelijkheid van schorsen niet aan de betrokkene medegedeeld. Verder voert de gemachtigde aan dat sprake is van een schending van de hoorplicht door de officier van justitie, hetgeen dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. Tot slot klaagt de gemachtigde over de hoogte van de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding. De gemachtigde is weliswaar de zoon van de betrokkene, maar nu zij niet op hetzelfde adres wonen, is er geen enkele reden om de proceskostenvergoeding te matigen.
3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op hetgeen is aangevoerd dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie (verder) te matigen.
4. Met betrekking tot het beroep van de gemachtigde op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof het volgende. Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan beroep worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen. Hiermee heeft de wetgever in de Wahv een regeling opgenomen die een vergelijkbare werking heeft als het evenredigheidsbeginsel. De rechter in Wahv-zaken dient te toetsen aan de bijzondere regeling die is neergelegd in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv.
5. Met betrekking tot het beroep op overmacht overweegt het hof het volgende. Een geslaagd beroep op overmacht kan leiden tot het oordeel dat de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat de sanctie achterwege zou moeten blijven. Aan een dergelijk beroep dient tenminste de eis te worden gesteld dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de bestuurder onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Aan dit vereiste is in het onderhavige geval niet voldaan. Het hof stelt vast dat de geldigheid van het keuringsbewijs op 27 maart 2020 was vervallen en dat de betrokkene op 22 juli 2020 het voertuig heeft laten keuren. Het hof wil, in navolging van de Raad van State, wel aannemen dat de betrokkene contact heeft opgenomen met de RDW om te vragen of de afspraak op 26 maart 2020 gezien de coronamaatregelen doorgang zou hebben en dat hem vervolgens
telefonisch is medegedeeld dat de afspraak van 26 maart 2020 kwam te vervallen. Niet gesteld is, noch aannemelijk geworden, dat hem vanwege de RDW te kennen is gegeven dat de keuringsplicht was opgeschort. De APK-plicht is ook nimmer door de overheid opgeschort als onderdeel van de coronamaatregelen. Het lag dan ook op de weg van de betrokkene om na het vervallen van de afspraak alsnog (tijdig) voor een geldige APK-keuring te zorgen. Evenmin is gebleken dat de betrokkene tijdens de lockdown niet de mogelijkheid had om, eventueel met behulp van een derde, opnieuw een afspraak te maken om het voertuig tijdig te (laten) keuren. Op de tijdlijn van de Rijksoverheid te raadplegen op www.rijksoverheid.nl volgt dat vanaf 15 maart 2020 scholen, kinderdagverblijven, eet- en drinkgelegenheden en sport- en fitnessclubs dicht moesten. Iedereen werd gevraagd om 1,5 meter afstand te houden. Indien bleek dat het voor de betrokkene niet mogelijk was om opnieuw een afspraak te maken om het voertuig tijdig te (laten) keuren, had hij zich van die verplichting kunnen bevrijden door de tenaamstelling van het kenteken in het kentekenregister te laten schorsen en het voertuig, eventueel met behulp van derden, van de openbare weg te (laten) verwijderen. Dat stallingen en campings gesloten waren volgt overigens (ook) niet uit de maatregelen die op dat moment van kracht waren. Dat de RDW de mogelijkheid van schorsen niet aan de betrokkene heeft medegedeeld kan de betrokkene niet baten. Gelet op de wettelijke bepalingen blijft het de eigen verantwoordelijkheid van de kentekenhouder tijdig de tenaamstelling van het kenteken te schorsen. Dat de betrokkene dit heeft nagelaten, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening dienen te komen. Het beroep op overmacht wordt daarom verworpen.
6. Het hof is van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden geen aanleiding geven om de sanctie achterwege te laten, dan wel het bedrag van de sanctie te matigen. Het beroep op schending van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel is door de gemachtigde niet nader onderbouwd, zodat het hof hier verder aan voorbij zal gaan.
7. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 200,- in verband met de aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het hof zal deze door de kantonrechter toegepaste matiging in stand laten om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan wanneer geen hoger beroep was ingesteld. Het hof zal om diezelfde reden ook de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding in stand laten.
8. Ten aanzien van de schending van de hoorplicht door de officier van justitie merkt het hof onder verwijzing naar het arrest van het hof van 22 november 2022, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:9934, het volgende op. Nu in onderhavige zaak de betrokkene in administratief beroep met professioneel gemachtigde procedeerde, ziet het hof geen aanleiding om het bedrag van de administratieve sanctie te matigen met 25 procent.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Broere als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.