ECLI:NL:GHARL:2023:4329

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 mei 2023
Publicatiedatum
23 mei 2023
Zaaknummer
Wahv 200.315.382/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onduidelijkheid over bestuurder parkeerovertreding

Betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor het parkeren van een voertuig in een parkeerschijfzone zonder op de juiste wijze te parkeren. De sanctie werd opgelegd aan betrokkene, vermoedelijk de bestuurder, maar hij stelde dat hij slechts bijrijder was. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat aanvullende beroepsgronden niet waren meegenomen door de rechtbank, met name dat betrokkene niet de bestuurder was. Het hof constateerde een motiveringsgebrek en vernietigde de beslissing van de kantonrechter. Het hof oordeelde dat niet vaststaat dat betrokkene de bestuurder was, mede omdat de ambtenaar niet expliciet heeft vastgesteld wie de bestuurder was na staandehouding.

Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de sanctiebeschikking en de beslissing van de officier van justitie en wees proceskosten toe aan betrokkene. De sanctie kon niet in stand blijven omdat niet kon worden vastgesteld dat betrokkene de gedraging als bestuurder had verricht.

Uitkomst: Sanctiebeschikking tegen betrokkene vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat hij bestuurder was; proceskosten toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.315.382/01
CJIB-nummer
: 233232722
Uitspraak d.d.
: 23 mei 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert ten eerste aan dat het hem bevreemdt dat de rechtbank de aanvullende gronden van 17 juli 2022 niet in het dossier heeft gevoegd en dus - naar het hof begrijpt - niet bij de beoordeling heeft betrokken, nu de rechtbank die gronden bij e-mail van 17 juli 2022 heeft ontvangen per aangetekende e-mail.
2. Gelet op de door de gemachtigde overgelegde stukken is het hof van oordeel dat de gemachtigde aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 17 juli 2022 - binnen de daartoe gestelde termijn - in de onderhavige zaak aanvullende beroepsgronden heeft ingediend. Het hof stelt vast dat uit de beslissing van de kantonrechter niet blijkt dat deze de aanvullende grond uit de e-mail van 17 juli 2022 - dat de betrokkene niet de bestuurder van het voertuig was, maar de passagier - in zijn beslissing heeft betrokken. Aldus is sprake van een motiveringsgebrek.
3. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. De officier van justitie heeft op 9 oktober 2020 het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. De bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie betreffen onder meer de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder een voertuig parkeren in een parkeerschijfzone (niet op zodanig aangeduide parkeerplaats/langs blauwe streep)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 maart 2020 om 19:31 uur op de Gerrit Rietveldsingel in Diemen.
5. De gemachtigde van de betrokkene wijst erop dat al in administratief beroep is aangevoerd dat de betrokkene niet de bestuurder van het voertuig was, maar de passagier (de bijrijder). De bestuurder en de betrokkene waren samen pakketten aan het bezorgen. De gedraging is dan ook niet (door de betrokkene) verricht.
6. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Aan betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: Ik ben aan het werk.”
8. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de sanctie is opgelegd nadat er contact was tussen de ambtenaar en de betrokkene. Echter, niet blijkt dat de ambtenaar, nadat hij de betrokkene had staandegehouden en de cautie had gegeven, heeft gevraagd of de betrokkene - als bestuurder - ook daadwerkelijk de gedraging had verricht. Gelet op wat namens de betrokkene (onbetwist) naar voren is gebracht houdt het hof het er daarom voor dat de ambtenaar zelf het vermoeden kreeg dat de betrokkene de bestuurder was geweest van het voertuig en hem met de geconstateerde gedraging heeft geconfronteerd.
9. Nu op basis van de verklaring van de ambtenaar niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene de bestuurder van het voertuig was, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging - als bestuurder een voertuig parkeren in een parkeerschijfzone (niet op zodanig aangeduide parkeerplaats/langs blauwe streep) - is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna te melden.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.284,75 = (1,5 x € 597,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt die beschikking, waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.284,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Broere als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.