Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1995 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een wettelijk deelgenootschap. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw een hypothecaire geldlening van fl 145.000,- (omgerekend € 65.798,13) verstrekt aan de man, vastgelegd in een notariële akte van 26 april 2001 met een rente van 5% per jaar. Na indiening van het verzoek tot echtscheiding in 2020 en ontbinding van het huwelijk in 2021 ontstond een geschil over de rechtsgeldigheid van deze lening en de verwerking daarvan in de vermogensverdeling.
De rechtbank Gelderland wees de verzoeken van de man af en verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot betaling van achterstallige rente. Het hof behandelt het hoger beroep van de man, die stelt dat de notariële akte niet de werkelijke afspraak tussen partijen weerspiegelt en dat hij slechts de hoofdsom verschuldigd is.
Het hof erkent de dwingende bewijskracht van de authentieke hypotheekakte, maar laat de man toe tegenbewijs te leveren tegen de juistheid daarvan. Het hof bepaalt de procedure voor het verhoor van getuigen en houdt verdere beslissing aan totdat het bewijs is geleverd. Hiermee wordt de man de mogelijkheid geboden om zijn stelling te onderbouwen dat de hypotheeklening niet de werkelijke bedoeling van partijen weergeeft.
Uitkomst: Het hof staat toe dat de man tegenbewijs levert tegen het dwingende bewijs van de notariële hypotheekakte en houdt verdere beslissing aan.