Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De man en vrouw zijn de ouders van een minderjarig kind geboren in 2020. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag en de rechtbank had eerder de man verplicht een bijdrage van €134 per maand te betalen voor de verzorging en opvoeding van het kind.
In hoger beroep verzochten partijen om aanpassing van deze bijdrage: de vrouw wilde verhoging naar €315 per maand, de man verzocht om verlaging naar €81 per maand. Het hof heeft het principaal hoger beroep van de vrouw verworpen en het incidenteel hoger beroep van de man gegrond verklaard.
Het hof oordeelde dat het bruto jaarinkomen van de man niet hoger was dan €39.852, zoals de rechtbank had aangenomen, en hield rekening met een leaseautokostenlast van €404 per maand die realistisch was. De woonlasten van de vrouw werden vastgesteld op het feitelijke bedrag van €150 per maand, zonder forfaitaire verhoging.
Verder werd een zorgkorting van 25% toegepast vanwege de omgangsregeling waarbij het kind regelmatig bij de man verblijft. Dit leidde tot een verlaging van de bijdrage van de man naar €81 per maand, ingaande 1 juni 2023. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de relatie tussen partijen en het onderwerp van de procedure.
Uitkomst: De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind is vastgesteld op €81 per maand vanaf 1 juni 2023.