Art. 1:266 BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging van het ouderlijk gezag wegens ernstige bedreiging ontwikkeling minderjarige
De ouders zijn gezamenlijk belast geweest met het gezag over hun in 2019 geboren kind. Sinds februari 2020 is de minderjarige onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) en met machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst, waarna het kind in een perspectief biedend pleeggezin verblijft.
De rechtbank heeft op verzoek van de raad voor de kinderbescherming het gezag van de ouders beëindigd en de GI tot voogd benoemd. De ouders zijn tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en verzoeken het hof de beslissing te vernietigen.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:266 BWPro het gezag kan worden beëindigd indien de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd en de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen. Het hof stelt vast dat deze voorwaarden zijn vervuld en dat de ouders onvoldoende meewerken aan beslissingen en onderzoeken die het kind betreffen.
Het belang van het kind staat voorop, waarbij continuïteit en duidelijkheid over het opvoedingsperspectief essentieel zijn. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en verklaart deze ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad. De omgangsregeling blijft onderwerp van een aparte procedure.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.321.163
(zaaknummer rechtbank Gelderland 401431)
beschikking van 25 mei 2023
inzake
[verzoeker],
verder te noemen: de vader, en
[verzoekster],
verder te noemen: de moeder,
beiden wonende te [woonplaats1] ,
verzoekers in hoger beroep,
tezamen verder te noemen: de ouders,
advocaat: mr. S. van Beers te Zeist,
en
raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI,
en
[de pleegouders],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de pleegouders.
1.Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 oktober 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna te noemen: de bestreden beschikking.
2.Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 januari 2023, en
het verweerschrift van de raad.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 april 2023 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de ouders, bijgestaan door hun advocaat,
een vertegenwoordiger van de raad, en
twee vertegenwoordigers van de GI.
3.De feiten
3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2019. Tot de bestreden beschikking waren de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 27 februari 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 27 mei 2020.
3.3
Bij beschikking van 20 mei 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 15 juli 2022 tot 27 mei 2023.
3.4
Sinds 27 februari 2020 is [de minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uithuisgeplaatst. Na een verblijf in een crisispleeggezin verblijft [de minderjarige] sinds 16 september 2020 in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.
4.De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd, de GI tot voogd benoemd en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De ouders zijn met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De ouders verzoeken het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
4.3
De raad voert verweer. De raad vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5.De motivering van de beslissing
5.1
Op grond van artikel 1:266 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter onder andere het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.3
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden is het hof van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden om het gezag van de ouders te beëindigen. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4
De ouders voeren aan dat artikel 1:266 onderPro a BW een zogenaamde “kan-bepaling” betreft: de rechter kan in specifieke gevallen het gezag ook in stand laten. Het hof is van oordeel dat van dergelijke specifieke omstandigheden niet is gebleken. De aanvaardbare termijn waarbinnen de ouders weer in staat moeten worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen is inmiddels verstreken. Het is in het belang van [de minderjarige] en alle betrokkenen dat haar toekomstperspectief nu definitief duidelijk wordt. Dit geldt temeer nu de ouders weliswaar erkennen dat [de minderjarige] niet meer thuis kan komen wonen, maar ook zeggen dat zij blijven hopen dat dat dit uiteindelijk toch gebeurt. Daarbij komt dat de ouders niet altijd meewerken aan beslissingen die [de minderjarige] aangaan, zodat de GI meerdere keren vervangende toestemming aan de rechtbank heeft moeten verzoeken. Ook hebben de ouders bij herhaling geweigerd om hun medewerking te verlenen aan onderzoeken, zelfs als rekening werd gehouden met de voorwaarden van de ouders en vervoer voor hen werd geregeld.
5.5
Het hof overweegt tot slot dat de beslissing om het gezag van de ouders te beëindigen niets zegt over de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] . Daarover loopt nog een afzonderlijke procedure. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jeugdbeschermer gezegd de ouders regelmatig te zullen informeren over het welzijn van [de minderjarige] .
6.De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Het hof zal de bestreden beschikking ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
7.De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 oktober 2022;
verklaart de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 oktober 2022 ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, K.A.M. van Os-ten Have en E.B. Knottnerus, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 25 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.