De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 8 mei 2021 in Barneveld. De sanctie werd aan de kentekenhouder opgelegd omdat de ambtenaren van de Mobiele Eenheid geen reële mogelijkheid hadden tot staandehouding vanwege hun inzet bij een onrustige demonstratie.
De gemachtigde voerde aan dat er wel een reële mogelijkheid tot staandehouding was en dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd. Ook werd de gedraging ontkend, waarbij werd betwist dat het voorwerp een mobiele telefoon was. Het hof oordeelde dat de inzet van de Mobiele Eenheid en de verklaringen van de ambtenaren voldoende grond boden om te concluderen dat staandehouding niet mogelijk was en dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder werd opgelegd.
De ontkenning van de betrokkene werd niet aannemelijk geacht, aangezien de verklaring van de ambtenaren voldoende was om de gedraging vast te stellen. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.