Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over het omgangsrecht van de vader met zijn minderjarige dochter na ontbinding van het huwelijk in 2021. De dochter woont bij de moeder en er is sinds 2020 nauwelijks contact geweest tussen vader en kind. De rechtbank had de vader het omgangsrecht ontzegd voor één jaar, wat de vader in hoger beroep aanvocht.
Het hof oordeelt dat de vader op dit moment niet in staat is tot omgang vanwege zijn gedrag, waaronder het niet meewerken aan hulpverlening en een dreigende houding. Dit schaadt de belangen van het kind en vormt een grond voor ontzegging van het omgangsrecht volgens artikel 1:377a lid 3 BW. De verstoorde verstandhouding en het ontbreken van communicatie tussen ouders maken contact op dit moment onveilig.
Hoewel de moeder een ontzegging voor vijf jaar verzocht, vindt het hof dit te lang en in strijd met internationale verdragen die het recht van het kind op contact met beide ouders waarborgen. Het hof benadrukt het belang van contactherstel en stelt voorwaarden voor de vader, zoals het volgen van professionele hulp gericht op emotieregulatie en communicatie. De moeder wordt geadviseerd de dochter voor te lichten over haar vader en contact te faciliteren via post en informatie-uitwisseling.
Het hof verklaart het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling niet-ontvankelijk en bekrachtigt de eerdere beschikking van de rechtbank. Het contactherstelproces wordt opengehouden, mits de vader aan de gestelde voorwaarden voldoet.
Uitkomst: De ontzegging van het omgangsrecht van de vader met zijn dochter wordt bekrachtigd, maar een ontzegging van vijf jaren wordt afgewezen om contactherstel mogelijk te houden.