ECLI:NL:GHARL:2023:4708

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
6 juni 2023
Zaaknummer
21-005109-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis groepsverkrachting in Zwolle met aanvullende gronden

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 10 november 2021, waarbij verdachte veroordeeld werd tot 36 maanden gevangenisstraf wegens groepsverkrachting in Zwolle.

Tijdens het hoger beroep zijn diverse getuigen gehoord, waaronder bij de raadsheer-commissaris. De verklaringen van deze getuigen bevestigen de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank. Het hof hecht geen waarde aan de niet-specifieke verklaringen over een filmpje dat mogelijk de mishandeling en verkrachting toont, en ziet geen reden om te twijfelen aan eerdere politieverklaringen.

De verdediging voerde aan dat niet vaststaat dat het geweld tegen het slachtoffer plaatsvond voorafgaand aan de seksuele handelingen, maar het hof wijst dit af op basis van getuigenverklaringen. Daarnaast is een Pro Justitia rapportage opgemaakt waaruit blijkt dat verdachte geen psychische stoornis of verstandelijke beperking heeft, en dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is.

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de strafoplegging van de rechtbank en bevestigt het vonnis. De vordering van de benadeelde partij is deels toegewezen, deels niet ontvankelijk verklaard, conform het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bevestigt de gevangenisstraf van 36 maanden voor groepsverkrachting en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005109-21
Uitspraak d.d.: 30 mei 2023
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 10 november 2021 met parketnummer 08-198447-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 augustus 2022, 16 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. I.E. Leenhouwers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 november 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 primair, verkrachting, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij is deels hoofdelijk toegewezen en voor het overige is de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en goede gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis dan ook met overneming van die gronden bevestigen.
Aanvullend daarop overweegt het hof als volgt.
In hoger beroep zijn naar aanleiding van de regiezitting verschillende getuigen bij de raadsheer-commissaris gehoord.
De verklaringen van de in hoger beroep gehoorde getuigen maken niet dat het gerechtshof anders oordeelt dan de rechtbank. In het bijzonder hecht het hof geen waarde aan de niet specifieke verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris over het wel of niet gezien hebben van ‘het filmpje’ en wat daar dan op te zien zou zijn geweest. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van deze getuigen die zij, al dan niet telefonisch, tegenover de politie hebben afgelegd kort na het gebeuren.
Voor zover de raadsvouw in hoger beroep heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat het geweld tegen aangeefster plaatsvond op of direct vooraf ging aan het moment dat verdachte seks had met aangeefster wijst het hof met name op de verklaringen van deze getuigen. [getuige 1] heeft immers verklaard dat hij op het filmpje zag dat aangeefster werd geslagen en dat daarna een aantal handelingen plaatsvonden waaronder dat verdachte bovenop haar ging zitten en zijn geslachtsdeel in haar mond deed. Dat wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2] die tegenover de politie heeft verklaard dat hij een filmpje heeft gezien waarop te zien is dat aangeefster mishandeld en verkracht werd.
Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de klap die [naam] aangeefster heeft gegeven vooraf ging aan de seksuele handelingen en dat onder meer daardoor de tijdlijn niet meer zou kloppen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt geenszins dat [naam] de woning is binnen gekomen nadat de seksuele handelingen hadden plaatsgevonden of werden gefilmd noch dat de klap van [naam] die aangeefster heeft beschreven precies dezelfde klap is als het slaan op het filmpje. [getuige 2] heeft bovendien verklaard dat hij vier jongens op het filmpje heeft gezien en uit alle verklaringen blijkt dat er buiten verdachte, [naam] en de andere twee medeverdachten geen andere jongens in de woning aanwezig zijn geweest.
Ten aanzien van de persoon van verdachte is in hoger beroep is in hoger beroep een Pro Justitia rapportage opgemaakt. Uit het psychologisch onderzoek blijkt, kort gezegd, dat er geen sprake is van een psychische stoornis of verstandelijke handicap. De eerder gestelde diagnose van een licht verstandelijke beperking wordt door de rapporteur verworpen. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een ontwikkelingsstoornis. Geadviseerd wordt om verdachte volgens het volwassenenstrafrecht te berechten. Voor toepassing van het jeugdstrafrecht worden onvoldoende criteria gezien. Verdachte functioneert wat handelingsvaardigheden betreft op leeftijdsniveau en een pedagogische aanpak wordt niet als noodzakelijk gezien.
De reclassering sluit zich in het aanvullende rapport bij uitkomsten van de Pro Justitia rapportage aan. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht toe te werken aan recidivevermindering en adviseert dan ook geen plan van aanpak binnen een strafrechtelijk kader.
In het bovenstaande ziet het hof geen reden om ook ten aanzien van de strafoplegging anders te oordelen dan de rechtbank.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. O.O. van der Lee en mr. S. Weening, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B.T.H. Toonen-Janssen, griffier,
en op 30 mei 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. O.O. van der Lee en mr. S. Weening zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 mei 2023.
Tegenwoordig:
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,
mr. H.E. Schoenmakers, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.