Het huwelijk van de ouders werd in 2019 ontbonden. Zij hebben drie minderjarige kinderen die bij de moeder verblijven. De vader is hertrouwd en heeft een vierde kind. In het ouderschapsplan is een alimentatiebedrag van €50 per maand afgesproken. De rechtbank bepaalde in 2022 een alimentatie van €64 per maand.
De moeder kwam in hoger beroep met vijf grieven, waaronder de ingangsdatum van de alimentatie en de hoogte van het bedrag, en verzocht een hogere alimentatie met terugwerkende kracht vanaf december 2021. De vader kwam in incidenteel hoger beroep met een grief over zijn draagkracht en vroeg rekening te houden met omgangskosten en schulden.
Het hof oordeelde dat de ingangsdatum van de alimentatie de datum van de bestreden beschikking, 22 maart 2022, blijft, omdat de moeder dit niet eerder had gevraagd. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €529 per maand, de draagkracht van de vader op €142 per maand en die van de moeder op €522 per maand. Na toepassing van de draagkrachtvergelijking en zorgkorting stelde het hof de alimentatie vast op €87 per maand voor de drie kinderen samen.
De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de alimentatie betreft en het hof deed een nieuwe beschikking.