Belanghebbende is eigenaar van een loods met meerdere units en maakte bezwaar tegen aanslagen rioolheffing en onroerendezaakbelasting over 2017 en 2019. Na het niet tijdig beslissen op de bezwaren stelde belanghebbende het college in gebreke, waarna het college dwangsommen oplegde. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze dwangsombesluiten en de vastgestelde proceskostenvergoeding, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stond centraal of de drie dwangsombeschikkingen als samenhangende zaken konden worden beschouwd, of de juiste waarde per punt was toegepast voor de proceskostenvergoeding en welk gewicht aan de zaak moest worden toegekend. Het hof oordeelde dat de zaken samenhangend zijn omdat dezelfde gemachtigde identieke werkzaamheden verrichtte en de bezwaren gelijktijdig werden behandeld.
Verder stelde het hof vast dat de waarde per punt terecht op €265 was vastgesteld, omdat de dwangsombeschikkingen verband houden met een fiscaal materieel geschil. Ten aanzien van het gewicht van de zaak concludeerde het hof dat het college terecht het gewicht 'licht' heeft toegekend, mede gelet op richtsnoeren en het feit dat het geschil enkel over een evidente telfout van één dag ging.
Het hof verwierp ook de motiveringsklacht over het gewicht en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.