AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep stilstaan op trottoir
De betrokkene stelde beroep in tegen een administratieve sanctie opgelegd door de officier van justitie wegens stilstaan op een trottoir. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De gemachtigde voerde aan dat het beroepschrift abusievelijk bij een onbevoegd bestuursorgaan was ingediend, dat dit had moeten worden doorgezonden en dat daardoor het beroep tijdig was ingediend.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de gemeente het beroepschrift niet had doorgezonden zoals voorgeschreven in artikel 6:15 AwbPro. Vervolgens beoordeelde het hof de inhoudelijke vraag of het voertuig op een trottoir stond. Gelet op de feitelijke situatie ter plaatse en de aard van het weggedeelte, concludeerde het hof dat het voertuig op een ander weggedeelte stond dat voor parkeren is toegestaan.
Daarmee kon de sanctie niet in stand blijven. Het hof vernietigde de beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten aan de betrokkene.
Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring, verklaart het beroep gegrond en vernietigt de sanctie wegens parkeren op een ander weggedeelte dan het trottoir.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.567/01
CJIB-nummer
: 238455875
Uitspraak d.d.
: 12 juni 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingesteld.
2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De beslissing van de officier van justitie is op 4 juni 2021 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 16 juli 2021. Het beroepschrift, gedateerd 15 juli 2021, is op
9 augustus 2021 via het Digitaal Loket Verkeer door de officier van justitie ontvangen.
4. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene tijdig beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroepschrift van 15 juli 2021 is abusievelijk naar de afdeling Belastingen van de gemeente Zaanstad gestuurd. Op grond van artikel 6:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had dit bestuursorgaan het beroepschrift door moeten sturen aan het bevoegde orgaan. Dat heeft de gemeente nagelaten en dat betekent dat de kantonrechter het beroep
ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ter adstructie heeft de gemachtigde een brief van de 28 juli 2021 van het afdelingshoofd Belastingen van de gemeente Zaanstad overgelegd.
5. Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt het beroepschrift, indien het wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Het tijdstip van indiening van het beroepschrift is, zo bepaalt het derde lid van dit artikel, behoudens een hier niet van toepassing zijnde uitzondering, bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend.
6. In de door de gemachtigde overgelegde brief van het afdelingshoofd Belastingen van de gemeente van 28 juli 2021 wordt gerefereerd aan een brief van de gemachtigde gedateerd
15 juli 2021. Nu in deze brief als kenmerk staat vermeld “APPJ21NL0041461” en dit kenmerk overeenkomt met kenmerk zoals opgenomen in het op 9 augustus 2021 bij het Digitaal Loket Verkeer ingekomen beroepschrift, acht het hof aannemelijk dat de brief van de gemeente van
28 juli 2021 betrekking heeft het aan de officier van justitie gerichte beroepschrift van 15 juli 2021.
7. Gelet op deze omstandigheid had het afdelingshoofd Belastingen van de gemeente Zaanstad de brief van 15 juli 2021 op grond van het bepaalde in artikel 6:15, derde lid, van de Awb naar de tot ontvangst van het beroepschrift gerechtigde officier van justitie van het parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (Parket CVOM) moeten sturen, doch heeft dit nagelaten. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:15 derdePro lid, van de Awb heeft de betrokkene tijdig beroep ingesteld bij de kantonrechter.
8. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat die beslissing niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beoordelen van het beroep gericht tegen de beslissing van officier van justitie.
9. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 december 2020 om 17.11 uur op het Mosveld in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
10. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat geen sprake is van een trottoir. Het voertuig stond op een ‘ander weggedeelte’ zoals bedoeld in artikel 10 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Hier is eerder sprake van een bestrate middenberm tussen de rijbaan het fietspad. Deze middenberm is niet bedoeld voor voetgangers, nu beide zijden nergens naartoe leiden. Wat de ambtenaar heeft opgesomd, maakt niet dat het weggedeelte een trottoir is. Het klopt dat de betegeling anders is dan de rijbaan, maar ook de stoep heeft weer andere tegels dan dit stuk weggedeelte. Daarnaast is de trottoirband niet verhoogd, maar schuin aflopend. Dat laatste nodigt het verkeer juist uit om erop te rijden. Ter onderbouwing van een en ander heeft de gemachtigde de navolgende afbeelding van Google Maps Street View ingebracht, met daarop omcirkeld de plaats waar het voertuig van de betrokken is aangetroffen door de betrokken ambtenaar.
11. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990 dat - voor zover hier van belang - bepaalt dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
12. De vraag die thans voorligt is of de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond moet worden aangemerkt als een trottoir. Het RVV 1990 bevat geen definitie of omschrijving van het begrip ‘trottoir’. Bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, moet daarom worden uitgegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.
13. Op de hiervoor weergegeven foto is te zien dat het hierop zichtbare voertuig staat geparkeerd op een verhoogd weggedeelte dat met opsluitbanden van de rijbaan enerzijds en het fietspad anderzijds wordt afgescheiden en over de lengte bezien onderdeel uitmaakt van een strook die afgewisseld wordt met parkeervakken voor fietsen en bomen. Direct naast het fietspad is bestrating aangebracht, eveneens voorzien van een opsluitband, die doorloopt tot aan de daar gelegen winkelpanden.
14. Het hof is - met name in aanmerking genomen de aanwezigheid ter plaatse van de als trottoir te beschouwen naast het fietspad tot de winkelpanden doorlopende strook - van oordeel dat de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd zich niet zodanig evident als trottoir of voetpad voordoet dat deze door de gemiddelde weggebruiker als zodanig wordt beschouwd. Dit betekent dat het voertuig stond op een ‘ander weggedeelte’ dat voor het parkeren van een motorvoertuig mag worden gebruikt.
15. Dit betekent dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Het hof zal als volgt beslissen.
16. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de eerste keer telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen, voor de tweede keer wordt een kwart punt toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.359,38 (= (1,75 x € 597,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,5)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.359,38.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.