ECLI:NL:GHARL:2023:4928

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2023
Publicatiedatum
12 juni 2023
Zaaknummer
Wahv 200.316.900/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WahvArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring verzet tegen dwangbevel en inhoudelijke beoordeling

De betrokkene maakte bezwaar tegen een dwangbevel en werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard vanwege een ontbrekende handtekening op het verzetschrift. Het hof oordeelt dat de termijn om dit te herstellen onredelijk kort was, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. Het hof vernietigt deze beslissing en beoordeelt het verzet inhoudelijk.

De betrokkene voerde aan dat zij de oorspronkelijke sanctiebeschikking en aanmaningen nooit heeft ontvangen omdat deze in een gezamenlijke brievenbus werden gedeponeerd, wat zij onrechtmatig achtte. Het hof stelt vast dat de post correct is verzonden naar het adres waar de betrokkene stond ingeschreven en dat het CJIB het verzendproces zorgvuldig heeft ingericht.

Omdat de betrokkene geen adequate maatregelen heeft genomen om postontvangst te waarborgen, komen de gevolgen van het niet ontvangen van post voor haar rekening. Het hof verklaart het verzet daarom ongegrond en bevestigt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en de opgelegde verhogingen.

De uitspraak benadrukt dat digitaal procederen in Wahv-zaken nog niet is toegestaan en dat de procesregels inzake hersteltermijnen strikt maar redelijk moeten worden toegepast. De betrokkene had meer zorg moeten dragen voor haar postontvangst, zeker gezien de gezamenlijke brievenbusconstructie.

Uitkomst: Het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.316.900/01
CJIB-nummer
: 245775270
Uitspraak d.d.
: 9 juni 2023
Beschikkingop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De tussenbeschikking

De inhoud van de tussenbeschikking van 24 maart 2023 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De betrokkene heeft bij brief van 20 april 2023 haar financiële situatie toegelicht.

De beoordeling

1. De betrokkene heeft aan de hand van diverse financiële stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat zij financieel niet in staat is om zekerheid te stellen en griffierecht te betalen. Het hof stelt de bedragen van de zekerheidstelling en het griffierecht daarom op nihil en acht het hoger beroep ontvankelijk.
2.
De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het verzet tegen het dwangbevel ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De griffier van de rechtbank had de betrokkene gewezen op een vermeend zuim in het verzetschrift, namelijk een ontbrekende handtekening. Kennelijk is het verzet niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet herstellen van dit verzuim. De betrokkene betwist echter dat sprake was van een verzuim. Zij heeft conform de instructies voor Veilig Mailen, die vermeld staan op rechtspraak.nl, haar verzetschrift ingediend via het beveiligde webportaal van de Rechtspraak. De betrokkene had er met het oog op een geplande vakantie bewust voor gekozen digitaal te procederen. Zij wijst erop dat in het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Staatscourant (2022, 1480) is voorgeschreven dat de rechtbank per e-mail behoort te communiceren met de indiener van een verzetschrift. Het per post verzonden verzoek van de griffier om het verzetschrift alsnog te ondertekenen, is dan ook niet rechtsgeldig. Uit het procesreglement blijkt ook dat de indiener van een digitaal verzetschrift nog veertien dagen de tijd heeft een handtekening na te zenden via de post. Het herstelverzoek van de griffier is nog binnen die termijn gedaan en dus te vroeg, aldus de betrokkene. Zij betoogt dat het niet herstellen van het verzuim vanwege de door de rechtbank gemaakte fouten haar niet mag worden toegerekend.
3. In artikel 26, derde lid, van de Wahv is bepaald dat tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel verzet kan worden gedaan door het indienen van een met redenen omkleed verzetschrift bij de rechtbank van het arrondissement waar degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd woonachtig is.
4. Anders dan de betrokkene kennelijk veronderstelt, is digitaal procederen in een verzetprocedure (nog) niet mogelijk. Het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 waarnaar de betrokkene verwijst, is in artikel 1.2 van datzelfde reglement niet van toepassing verklaard in Wahv-zaken. Dat brengt mee dat de stelling van de betrokkene dat de griffier van de rechtbank haar uitsluitend per e-mail en niet eerder dan veertien dagen na het indienen van het verzetschrift had mogen wijzen op het ontbreken van een handtekening, niet juist is.
5. Het voorgaande neemt niet weg dat langs elektronische weg met de rechtbank kan worden gecommuniceerd wanneer de rechtbank die mogelijkheid heeft opengesteld. De rechtbank Rotterdam heeft via rechtspraak.nl kenbaar gemaakt dat de Muldergriffie per (elektronische) weg, namelijk Veilig Mailen, bereikbaar is. In een ontvangstbevestiging van de griffie van de rechtbank, die de betrokkene heeft meegestuurd, staat vermeld dat een stuk dat moet worden ondertekend per post moet worden nagezonden.
6. Bij brief van 26 juni 2023 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene gewezen op het ontbreken van een handtekening onder het verzetschrift. Het verzetschrift is kennelijk geprint en ter ondertekening bijgevoegd. In de brief van de griffier is vermeld dat het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer hieraan niet binnen veertien dagen gevolg wordt gegeven. Vervolgens is het verzet inderdaad niet-ontvankelijk verklaard.
7. Het standpunt van de betrokkene kan zo worden begrepen dat zij niet behoorlijk in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen. Dit standpunt is juist, zij het om een andere reden dan door de betrokkene naar voren is gebracht. Volgens vaste rechtspraak dient de termijn die op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt geboden om een verzuim te herstellen van een redelijke duur te zijn. Naar het oordeel van het hof is de in dit geval aan de betrokkene geboden termijn van veertien dagen onredelijk kort. Dat brengt mee dat de betrokkene niet behoorlijk in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen. De kantonrechter had het verzet dan ook niet niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en het verzet alsnog inhoudelijk beoordelen.
8. De betrokkene heeft in haar verzetschrift tegen het dwangbevel aangevoerd dat zij de oorspronkelijke sanctiebeschikking en de aanmaningen nooit heeft ontvangen. De betrokkene erkent dat de opgelegde sanctie terecht is, maar verzet zich tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en tegen de aan haar opgelegde verhogingen van het sanctiebedrag. De betrokkene woont in een groot oud pand waarin meerdere sociale huurwoningen zijn gevestigd. De betrokkene heeft wel een eigen huisnummer, maar geen eigen brievenbus. Veel voor haar bestemde post wordt daarom in een gezamenlijke brievenbus gedeponeerd. Deze brievenbus deelt de betrokkene met de andere achttien huisnummers in het pand. Deze constructie heeft tot gevolg dat aan de betrokkene geadresseerde post haar niet altijd bereikt. Wat de betrokkene betreft, is het de verantwoordelijkheid van de afzender om te waarborgen dat post aankomt bij degene voor wie het is bestemd. Met het deponeren van brieven in de gezamenlijke brievenbus is dat onvoldoende gedaan, aldus de betrokkene. Zij acht de aanmaningen om die reden van rechtswege nietig en het dwangbevel vernietigbaar.
9. Uit het dossier blijkt dat de sanctiebeschikking op 27 november 2021 aan het adres is toegestuurd waar de betrokkene destijds woonachtig was. De aanmaningen zijn naar hetzelfde adres verstuurd. Het CJIB verzorgt de verzending. In het arrest van 26 augustus 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:6346) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten.
10. De stelling van de betrokkene dat het CJIB onvoldoende in het werk heeft gesteld om te waarborgen dat de aan haar gerichte brieven haar zouden bereiken, treft geen doel. De betrokkene kampte als gevolg van het hanteren van een gezamenlijke postbus met (kennelijk stelselmatige) problemen met de postbezorging. Gesteld noch gebleken is dat zij inspanningen heeft verricht om daarvoor een oplossing te bewerkstelligen. Dat mocht wel van haar worden verwacht. Eenieder wordt geacht op het adres waarop hij of zij in de Basisregistratie personen is ingeschreven bereikbaar te zijn voor brieven van instanties, waaronder beschikkingen van het CJIB. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene heeft nagelaten adequate maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat voor haar bestemde post (van officiële instanties) haar bereikt, komen voor haar rekening.
11. Het hof komt tot de slotsom dat het dwangbevel en de opgelegde verhogingen niet onrechtmatig zijn. Het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt daarom ongegrond verklaard.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter;
verklaart het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.