ECLI:NL:GHARL:2023:5154

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
20 juni 2023
Zaaknummer
Wahv 200.318.424/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Aanwijzing feitgecodeerde misdrijvenArt. 3 lid 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen strafbeschikking door rood licht en avondklok

De betrokkene kreeg een strafbeschikking van €75 voor het doorrijden bij een rood verkeerslicht als voetganger op 25 januari 2021 in Rotterdam. Daarnaast was eerder een strafbeschikking opgelegd voor het overtreden van de avondklok. De gemachtigde voerde aan dat het opleggen van twee sancties in strijd was met artikel 2 van Pro de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, omdat bij één gebeurtenis slechts één traject gevolgd mag worden.

Het hof oordeelde dat geen sprake was van één moment in de zin van de Aanwijzing, omdat de strafbeschikking voor de avondklok al was opgelegd voordat de overtreding bij het rode licht werd geconstateerd. De enkele ontkenning van de gedraging door de betrokkene was onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens waarop de sanctie was gebaseerd.

Daarom was het opleggen van twee afzonderlijke sancties geoorloofd en was het beroep terecht ongegrond verklaard. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om vergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de strafbeschikking voor doorrijden bij rood licht wordt ongegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.424/01
CJIB-nummer
: 239329343
Uitspraak d.d.
: 20 juni 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 75,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat. Categorie weggebruiker: voetganger”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 januari 2021 om 21:19 uur op de Westblaak kruising met Karel Doormanstraat in Rotterdam.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er meerdere sancties aan de betrokkene zijn opgelegd, te weten een Mulderbeschikking en een strafbeschikking. De strafbeschikking is opgelegd voor het overtreden van de avondklok. De Mulderbeschikking is opgelegd voor het doorlopen bij een rood licht. De aan de betrokkene opgelegde sanctie is in strijd met artikel 2 van Pro de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: de Aanwijzig) opgelegd. Op grond van artikel 2 van Pro die Aanwijzing moet bij één gebeurtenis in principe één traject worden gevolgd. Als zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg wordt bewandeld, moet daarvan zo concreet mogelijk melding worden gemaakt in het proces-verbaal. Bovendien mag van die mogelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt. Aan beide voorwaarden is in deze zaak niet voldaan, althans dit wordt door de ambtenaar geenszins gemotiveerd. Verder voert de gemachtigde aan dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Uit de gegevens in het dossier blijkt weliswaar dat de betrokkene is gewaarschuwd voor een rood verkeerslicht en dat hij heeft gezegd “als ik door rood wil lopen, dan loop ik door rood’, maar nergens blijkt dat de betrokkene ook daadwerkelijk door rood licht is gelopen.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had betrokkene staande gehouden voor het overtreden van de avondklok. Hij kreeg hiervoor een bekeuring en was behoorlijk tekeer aan het gaan. Bij het afronden liep hij scheldend weg. Ik waarschuwde de betrokkene en zei: Kijk uit, het licht staat op rood. Er kwam op dat moment ook een aantal voertuigen aanrijden. Hij riep: Fuck je moeder, als ik door rood wil lopen, dan loop ik door rood. Ik heb hem vervolgens weer staande gehouden en een bekeuring voor het niet stoppen bij rood licht gegeven. Verkeerslicht stond al langere tijd op rood en het kruisende verkeer reed. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: Dat zei ik toch net al, fuck je moeder.”
5. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij een bekeuring heeft gegeven voor het niet stoppen bij rood licht. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
6. Uit het zaakoverzicht blijkt dat aan de betrokkene door dezelfde ambtenaar ook een bekeuring (het hof leest: een strafbeschikking) is opgelegd voor het overtreden van de avondklok.
7. Artikel 2 van Pro de Aanwijzing luidt als volgt:
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
8. Het hof dient te beoordelen of de geconstateerde gedragingen/overtredingen in dit geval via twee trajecten hadden mogen worden afgedaan. Daarvoor dient het hof eerst te beoordelen of in dit geval sprake is van “een bepaald moment” in de zin van de Aanwijzing.
9. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geen sprake is van één moment in de zin van de Aanwijzing. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt immers dat de gedragingen niet op hetzelfde moment door de ambtenaar zijn vastgesteld. De ambtenaar had de strafbeschikking voor het overtreden van de avondklok al opgelegd toen hij de onderhavige gedraging en overtreding constateerde. Onder die omstandigheid is geen sprake van één moment in de zin van de Aanwijzing. Dat er een verband tussen de onderhavige gedraging en de andere gedraging/overtreding bestaat, namelijk dat zij kort na elkaar zijn vastgesteld en door dezelfde ambtenaar zijn geconstateerd, maakt dat niet anders.
10. Nu geen sprake is van één moment in de zin van de Aanwijzing is er ook geen grond voor het oordeel dat de ambtenaar in strijd met de Aanwijzing heeft gehandeld. De grond van de gemachtigde treft dan ook geen doel.
11. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Broere als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.