AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen bestuurlijke boete voor aanbieden bedrijfsafval aan inzameldienst
Eiseres kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het aanbieden van afval naast een inzamelvoorziening, aanvankelijk bestempeld als onjuist aanbieden van huishoudelijk afval. Tijdens de bezwaarprocedure wijzigde verweerder de grondslag naar het aanbieden van bedrijfsafval in strijd met de Afvalstoffenverordening.
Eiseres betwistte het feit dat het afval tot haar herleidbaar was en dat het om bedrijfsafval ging. Het hof stelde vast dat het afval inderdaad aan eiseres kon worden toegerekend en dat het afval afkomstig was van een bedrijf, waardoor het als bedrijfsafval werd aangemerkt. Verweerder had de boetebeschikking terecht gewijzigd.
Het hof constateerde echter dat verweerder de hoorplicht had geschonden door niet zelf een hoorzittingsdatum te bepalen nadat eiseres had aangegeven gehoord te willen worden. Hierdoor werd de beslissing op bezwaar vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Het hof wijzigde zelf de boetebeschikking in de juiste feitcode en omschrijving en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten aan eiseres. De overige beroepsgronden werden niet meer behandeld.
Uitkomst: De boetebeschikking wordt gewijzigd en het beroep gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht; proceskosten worden aan eiseres toegekend.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.320.319/01
Uitspraak d.d.
: 26 juni 2023
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2022, betreffende
[eiseres] B.V. (hierna: eiseres),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van eiseres is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiseres op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk S-1764582/59136081.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van eiseres heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
Verweerder heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 juni 2023. De gemachtigde van eiseres is - zonder bericht van verhindering - niet op de zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam1 ] .
De beoordeling
1. De bestuurlijke boete bedraagt € 475,- en is opgelegd voor overtreding van artikel 8, lid 1, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent afvalstoffen (Afvalstoffenverordening 2009, hierna: de Afvalstoffenverordening). De overtreding zou zijn begaan op 1 maart 2021 op de [adres] ter hoogte van huisnummer 31m in [plaats1] .
2. Artikel 8, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt als volgt:
“Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, vierde lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening of brengdepot is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met behulp van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.”
3. Verweerder heeft in de bezwaarprocedure de boetebeschikking gewijzigd, in zoverre dat de boete is opgelegd voor een overtreding van artikel 14, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening, omdat geen sprake is van het onjuist aanbieden van huishoudelijk afval maar van het aanbieden van bedrijfsafval in strijd met het verbod daarop. Naar het hof begrijpt zijn met deze wijziging tevens de feitcode en de omschrijving van de overtreding in de bestuurlijke boete gewijzigd in, respectievelijk, BS011 en “Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst”.
4. Artikel 14 vanPro de Afvalstoffenverordening houdt het volgende in: “1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst. 2. Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 13 aangewezenPro categorieën bedrijfsafvalstoffen, voor zover degene die gebruik maakt van de inzameling door de inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belastingplicht op grond van de vigerende Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht. 3. Het college kan regels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de krachtens artikel 13 aangewezenPro bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst ter inzameling kunnen worden aangeboden. 4. Het is verboden de krachtens artikel 13 aangewezenPro bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.”
5. Namens eiseres wordt in hoger beroep betwist dat eiseres een overtreding heeft begaan. Dat sprake zou zijn van bedrijfsafval, staat niet vast. De Afvalstoffenverordening geeft namelijk geen definitie van de begrippen huishoudelijk afval en bedrijfsafval. Verder kan uit de enkele omstandigheid dat een doos naast een inzamelvoorziening is geplaatst niet worden afgeleid dat daarmee afvalstoffen aan de inzameldienst zijn aangeboden. Ook wijst de gemachtigde erop dat op het adreslabel op de aangetroffen doos ' [naam2] BV' staat en niet ' [eiseres] B.V.'. Dat is een andere rechtspersoon, zodat dit afval niet tot eiseres herleidbaar is. De gemachtigde betoogt verder dat verweerder het bezwaar gegrond had moeten verklaren, aangezien in de bezwaarfase de grondslag van de boetebeschikking is gewijzigd. Dat brengt wat de gemachtigde betreft ook mee dat eiseres aanspraak maakt op een proceskostenvergoeding. Zij is met deze wijziging immers in het gelijk gesteld. Tot slot stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
6. Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:
“Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.”
“Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.”
7. Bij e-mailbericht van 29 april 2022 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder laten weten dat hij wenst te worden gehoord en dat hij graag verneemt wanneer de hoorzitting wordt ingepland.
8. Namens verweerder zijn de gemachtigde van eiseres bij e-mail van 5 mei 2022 vier verschillende data voorgesteld waarop het horen kan plaatsvinden. Verweerder heeft de gemachtigde op 20 mei 2022 en op 29 juni 2022 aan deze e-mail herinnerd. Niet blijkt dat de gemachtigde heeft gereageerd. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar opgemerkt dat uit het uitblijven van een reactie van de gemachtigde is afgeleid dat hij heeft afgezien van de mogelijkheid om te worden gehoord en dat een hoorzitting daarom achterwege is gelaten.
9. Het hof stelt vast dat geen van de in artikel 7:3 AwbPro limitatief genoemde situaties waarin van het horen mag worden afgezien zich hier heeft voorgedaan. Verweerder heeft ten onrechte op basis van de enkele omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres niet op e-mails met datavoorstellen heeft gereageerd geconcludeerd dat afstand is gedaan van het recht om te worden gehoord (vgl. het arrest van het hof van 27 november 2019, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2019:10154). In een situatie als deze had verweerder zelf een datum voor een hoorzitting behoren te bepalen en de gemachtigde daarvoor moeten oproepen. Nu dat is nagelaten, kan de beslissing van verweerder niet in stand blijven. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige beroepsgronden tegen deze beslissingen behoeven nu geen bespreking meer. Het hof zal zich beperken tot het beoordelen van de gronden gericht tegen de (oorspronkelijke, ongewijzigde) boetebeschikking.
10. In een door of onder verantwoordelijkheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar opgesteld overtredingsrapport is de volgende verklaring van een toezichthouder opgenomen:
“Ik zag dat op bovengenoemde locatie huishoudelijk afval, te weten 1 stuk kartonnen doos, niet op de voorgeschreven wijze werd aangeboden ter inzameling via een inzamelvoorziening voor een groep percelen (...). De wijze waarop het afval werd aangeboden was naast een ondergrondse afvalcontainer. Het feit dat overtreder dit afval aanbood bleek mij uit de correspondentiegegevens op naam van de betrokkene ( [naam2] BV) op het afval.”
11. Niet is betwist dat op de onder 1. vermelde datum, plaats en tijd een postpakket met op het adreslabel ' [naam2] BV' is aangetroffen naast een inzamelvoorziening. Nu de doos zich direct naast de inzamelvoorziening bevond, is kennelijk beoogd deze aan de inzameldienst aan te bieden. De beroepsgrond dat van het aanbieden van afvalstoffen geen sprake is geweest, wordt verworpen.
12. Namens eiseres is betwist dat het afval tot haar herleidbaar is en daarmee - zo begrijpt het hof - dat zij als overtreder kan worden aangemerkt. In het dossier bevindt zich een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat eiseres sinds haar oprichting in 2017 op het adres [adres] 35 M is gevestigd. Verder bevat het dossier een e-mail d.d. 25 oktober 2022, afkomstig van een bij de gemeente werkzame handhaver, waaruit blijkt dat in het handelsregister nooit een bedrijf met de naam [naam2] BV ingeschreven is geweest. Op basis van deze gegevens, in samenhang beschouwd, staat genoegzaam vast dat het aan [naam2] BV geadresseerde postpakket bestemd was voor eiseres. Daarmee is sprake van een afvalstof die tot eiseres herleidbaar is. Dat geldt te meer nu het afval in de directe omgeving van het vestigingsadres van eiseres is aangetroffen. Eiseres heeft het op basis van de herleidbaarheid gerechtvaardigde bewijsvermoeden dat zij als overtreder kan worden aangemerkt niet weerlegd. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.
13. Namens eiseres is betwist dat sprake is van bedrijfsafval. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat wel degelijk sprake is van bedrijfsafval, aangezien het afval herleidbaar is tot eiseres, zijnde een bedrijf.
14. Artikel 1.1, lid 1, van de Wet milieubeheer (Wm) luidt, voor zover hier relevant:
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…) bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen; (…)
huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens (…)”.
15. Niet in geding is dat het afval afkomstig is van eiseres, zijnde een bedrijf en (dus) niet een particulier huishouden. Daarmee voldoet dit afval aan de definitie van bedrijfsafvalstof als bedoeld in artikel 1.1, lid 1, Wm.
16. Artikel 3 vanPro de Afvalstoffenverordening luidt, voor zover hier relevant:
“ Afzonderlijke inzameling
De inzameldienst of andere inzamelaars zamelen in ieder geval de volgende categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk in:
“ Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst
Het college kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst worden ingezameld.”
Artikel 25 vanPro het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Nieuw-West 2013 (hierna: het Uitvoeringsbesluit):
“ Aanwijzen categorieën bedrijfsafvalstoffen die worden ingezameld
De inzameldienst zamelt alleen afval in dat, wat aard en samenstelling betreft, vergelijkbaar is met huishoudelijk restafval.”
17. Bedrijfsafval van de categorie oud papier en karton wordt niet door de inzameldienst ingezameld. Dat brengt mee dat eiseres heeft gehandeld in strijd met het in artikel 14, eerste lid van de Afvalstoffenverordening vastgelegde verbod om bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst. Gelet daarop had verweerder in zijn beslissing op bezwaar terecht de grondslag van de boetebeschikking - en daarmee impliciet ook de omschrijving van de overtreding en de feitcode - gewijzigd. Nu de beslissing op bezwaar vanwege de schending van de hoorplicht moet worden vernietigd, zal het hof zelf de boetebeschikking wijzigen voor wat betreft de omschrijving van de overtreding en de feitcode.
18. Volgens vaste rechtspraak van het hof in Mulderzaken komen de redelijkerwijs gemaakte proceskosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking in gevallen waarin een eiser(es) geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Onder het bereik van deze rechtspraak vallen ook bestuurlijke boetezaken als de onderhavige, nu artikel 13a van de Wahv in artikel 154k, tweede lid, van de Gemeentewet in deze procedure van overeenkomstige toepassing is verklaard. Van geheel in het gelijk stellen is sprake wanneer de boetebeschikking wordt herroepen en van gedeeltelijk in het gelijk stellen indien deze wordt gewijzigd voor wat betreft het boetebedrag, de omschrijving van de overtreding en/of de feitcode. In dergelijke gevallen zijn terecht rechtsmiddelen aangewend zodat in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten.
19. Nu de boetebeschikking wordt gewijzigd voor wat betreft de omschrijving van de overtreding en de feitcode, wordt eiseres gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. De proceskosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking.
20. Aan het indienen van het bezwaarschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting daarop dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor de bezwaarfase € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.344,75 ((1 x 597 x 0,5) + (2,5 x 837,- x 0,5).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond en vernietigt die beslissing;
wijzigt de boetebeschikking in die zin dat de daarin opgenomen feitcode en omschrijving van de overtreding komen te luiden: “BS011” en “Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst”;
veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.344,75.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.