ECLI:NL:GHARL:2023:5348

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
27 juni 2023
Zaaknummer
Wahv 200.313.804/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 WahvArt. 6:19 AwbArt. 62 RVV 1990Art. 68 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie door hof wegens negeren rood verkeerslicht ondanks bezwaar tegen kentekenhouderaansprakelijkheid

De betrokkene werd als kentekenhouder gesanctioneerd voor het doorrijden bij een rood verkeerslicht op 15 juli 2020 in Roermond. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene stelde in hoger beroep dat niet vaststaat dat sprake was van een geellichtfase en dat de sanctie ten onrechte aan hem als kentekenhouder is opgelegd omdat de bestuurder niet is staande gehouden.

Het hof oordeelt dat de gedraging vaststaat en dat de ambtenaar voldoende heeft verklaard dat het verkeerslicht naar behoren werkte en dat de geellichtfase een gebruikelijke en voldoende duur had. Het feit dat de ambtenaar niet exact heeft vastgesteld hoe lang de geellichtfase duurde, doet hieraan niet af. De sanctie is terecht aan de kentekenhouder opgelegd omdat staandehouding niet mogelijk was gezien de afstand en positie van de ambtenaren.

Verder is de kantonrechter niet buiten de rechtsstrijd getreden door het beroep ongegrond te verklaren, ook al had de officier van justitie ter zitting gegrondverklaring bepleit. De kantonrechter moet zelfstandig beoordelen en is niet gebonden aan het standpunt van partijen. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €240,- voor negeren van het rode verkeerslicht en wijst het beroep en verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.804/01
CJIB-nummer
: 234976216
Uitspraak d.d.
: 27 juni 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 29 april 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 21 april 2023 is nog een e-mail van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 juli 2020 om 17:43 uur op de Roerkade, ter hoogte van huisnummer 1, in Roermond met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat uit de verklaringen van de ambtenaar niet blijkt dat sprake is geweest van een geellichtfase en hoe lang deze fase heeft geduurd. De ambtenaar verklaart weliswaar dat de verkeerslichten naar behoren werkten, maar hij vermeldt daarbij niet de redenen van wetenschap. Aldus kan niet worden beoordeeld of de bestuurder tijdig voor het rode licht heeft kunnen stoppen. Verder voert de gemachtigde aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Niet gebleken is immers dat de ambtenaar heeft geprobeerd om de bestuurder staande te houden. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter buiten de rechtsstrijd is getreden. De zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie heeft ter zitting van de kantonrechter immers gegrondverklaring van het beroep bepleit. De gemachtigde wijst in dit verband op het arrest van het hof van 19 april 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:3372.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 1,00 seconde op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding verkeerslicht: Kruising Brugstraat. (…)
Reden geen staandehouding: Niet mogelijk.”
5. Voorts bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 19 oktober 2020, waarin de ambtenaar voor zover relevant verklaart:
“Genoemde controle werd in solo surveillance, te voet, uitgevoerd. Ik bevond mij aan de verkeerslichten en constateerde de gepleegde overtreding. Daar de betrokkene met het voertuig verder reed was dit voor mij niet te achterhalen en was staandehouding niet mogelijk.”
6. Tot slot bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 9 februari 2022, waarin de ambtenaar voor zover relevant verklaart:
“Onterecht werd in het eerder opgemaakte aanvullend proces-verbaal aangegeven dat verbalisant solo was bij het constateren van de betreffende overtreding. De overtreding is door mij en de medeverbalisant geconstateerd. Op het moment van constatering bevonden wij ons bij elkaar op het voetpad van de Roerkade te Roermond alwaar wij op dat moment te voet met aan de hand een fiets aanwezig waren. Onze aanwezigheid was niet gericht op een roodlichtcontrole en daarom bevonden wij ons ongeveer 50 meter verwijderd van genoemd verkeerslicht, kijkende in de richting Herten. Wij hadden op dat moment zicht op de betreffende verkeerslichten. Wij zagen dat genoemd voertuig door reed terwijl het verkeerslicht rood licht uitstraalde voor tenminste 1 seconde. Daar wij bij elkaar stonden en het voertuig, van ons af, doorreed was staande houding niet mogelijk. Door ons is niet vastgesteld hoelang de geellichtfase vooraf aan rood licht plaatsvond. Wel kan ik aangeven dat de verkeerslichten naar behoren werkten. Dat er een geellichtfase voorafgaand aan de roodlichtfase was en dat deze een gebruikelijk en voldoende termijn had om het voertuig tijdig en normaal tot stilstand te kunnen brengen voordat deze geellichtfase beëindigd was.”
7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat niet wordt betwist dat met het voertuig van de betrokkene het rode licht is genegeerd, staat vast dat de gedraging is verricht.
8. Gelet op hetgeen is aangevoerd dient het hof te beoordelen of er aanleiding is om de sanctie achterwege te laten. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij anticipeert op een verkeerslicht dat hij nadert en zijn snelheid zodanig aanpast dat tijdig kan worden gestopt. Gelet op artikel 62 j⸰ artikel 68 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 moet voor een geel verkeerslicht worden gestopt, tenzij dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is. De ambtenaar heeft verklaard dat in dit geval sprake was van een geellichtfase en dat deze voldoende lang duurde om het voertuig daarbinnen veilig tot stilstand te brengen. Het hof ziet geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. De grond dat niet kan worden beoordeeld of de bestuurder tijdig voor het rode licht heeft kunnen stoppen, faalt dan ook. Dat de ambtenaar niet heeft vastgesteld hoelang de geellichtfase precies duurde, maakt dit niet anders.
9. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
10. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij en zijn collega’s zich ongeveer 50 meter verwijderd van het verkeerslicht bevonden op het moment dat zij de gedraging constateerden, zij te voet waren en het voertuig door het rode licht van hen af reed. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Aldus is de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
11. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Dat de zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie ter zitting van de kantonrechter gegrondverklaring van het beroep heeft bepleit, doet daar niet aan af. De kantonrechter dient zelfstandig te beoordelen of de sanctie terecht is opgelegd en is daarbij niet gehouden het gezamenlijke standpunt van partijen te volgen. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter dan ook niet buiten de rechtsstrijd getreden. Anders dan in de zaak waarnaar de gemachtigde heeft verwezen heeft de zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie in de onderhavige zaak ter zitting geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid ex artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht om hangende de behandeling van het beroep (met intrekking van de beslissing op het administratief beroep en gegrondverklaring van het beroep daartegen) de inleidende beschikking te vernietigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.