De betrokkene werd als kentekenhouder gesanctioneerd voor het doorrijden bij een rood verkeerslicht op 15 juli 2020 in Roermond. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene stelde in hoger beroep dat niet vaststaat dat sprake was van een geellichtfase en dat de sanctie ten onrechte aan hem als kentekenhouder is opgelegd omdat de bestuurder niet is staande gehouden.
Het hof oordeelt dat de gedraging vaststaat en dat de ambtenaar voldoende heeft verklaard dat het verkeerslicht naar behoren werkte en dat de geellichtfase een gebruikelijke en voldoende duur had. Het feit dat de ambtenaar niet exact heeft vastgesteld hoe lang de geellichtfase duurde, doet hieraan niet af. De sanctie is terecht aan de kentekenhouder opgelegd omdat staandehouding niet mogelijk was gezien de afstand en positie van de ambtenaren.
Verder is de kantonrechter niet buiten de rechtsstrijd getreden door het beroep ongegrond te verklaren, ook al had de officier van justitie ter zitting gegrondverklaring bepleit. De kantonrechter moet zelfstandig beoordelen en is niet gebonden aan het standpunt van partijen. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld.