ECLI:NL:GHARL:2023:54

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 januari 2023
Publicatiedatum
3 januari 2023
Zaaknummer
Wahv 200.312.519/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2b RVV 1990Art. 5 lid 1 RVV 1990Art. 5 lid 2 RVV 1990Art. 5 lid 8 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete snorfietsers niet gebruik rijbaan ondanks onderbord

De betrokkene kreeg een boete van €100 opgelegd wegens het niet gebruiken van de rijbaan als snorfietser op de Cruquiusweg in Amsterdam. De betrokkene voerde aan dat de bebording onduidelijk en niet zichtbaar was en dat op zijn route geen bord G11 aanwezig was dat de rijbaan verplicht stelde.

De kantonrechter stelde dat het bord G11 met onderbord ‘snorfietsen niet toegestaan’ duidelijk zichtbaar was aan het begin van het fietspad en dat de betrokkene dit bord had gepasseerd. Het hof oordeelde dat volgens artikel 2b en artikel 5 van Pro het RVV 1990 snorfietsers de regels voor fietsers volgen en dat het onderbord voldoende aangeeft dat snorfietsers de rijbaan moeten gebruiken.

De betwisting van de aanwezigheid van het bord door de betrokkene weegt niet op tegen de verklaring van de ambtenaar die het bord zag en de betrokkene het bord zag passeren. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Boete van €100 bevestigd voor snorfietser die niet de rijbaan gebruikte terwijl dit verplicht was.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.312.519/01
CJIB-nummer
: 239974802
Uitspraak d.d.
: 3 januari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “als snorfietser niet de rijbaan gebruiken waar dit verplicht is”. Deze gedraging zou zijn verricht op
5 februari 2021 om 12.18 uur op de Cruquiusweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de deugdelijkheid en zichtbaarheid van de relevante bebording gedurende de gehele procedure is betwist. De gereden route is kenbaar gemaakt met daarbij een afdruk van Google Maps. De kantonrechter stelt dat het bord duidelijk zichtbaar is aan het begin van het fietspad ter hoogte van de Zeeburgerdijk, maar daar is de betrokkene nooit geweest. Op de door de betrokkene gereden route was geen bord G11 aanwezig waaruit bleek dat hij op de rijbaan moest rijden. De grond over de non-conformiteit van de tekst op het onderbord met de wettelijke bepalingen van artikel 5, achtste lid, van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna RVV 1990) heeft de kantonrechter niet behandeld. Uit de tekst van het onderbord blijkt niet dat snorfietsers de rijbaan moeten gebruiken.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag op bovengenoemde plaats, datum en tijdstip te Amsterdam bovengenoemde snorfiets aangegeven met een blauwe kentekenplaat niet de rijbaan gebruiken waar dit verplicht is. Ik zag dat bord G11 RVV 1990 met als onderbord ‘snorfietsen niet toegestaan’ duidelijk en zichtbaar voor het verkeer aan het begin van fietspad was aangegeven. Ik zag dat de betrokkene het bord passeerde. Ik zag geen geldige ontheffing. Ik, verbalisant, zag dat betrokkene komende vanaf de Cruquiusweg rijdende op de Cruquiusweg en gaande in de richting van Zeeburgdijk. Ik zag dat de betrokkene circa 50 meter op het fietspad reed.”
4. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn stelling dat uit het onderbord niet volgt dat snorfietsers gebruik moeten maken van de rijbaan. Artikel 2b van het RVV 1990 bepaalt dat de regels voor fietsers mede van toepassing zijn op snorfietsers. Uit artikel 5, eerste en tweede lid, van het RVV 1990 volgt dat fietsers gebruik moeten maken van een verplicht fietspad of fiets/bromfietspad. Als dat ontbreekt gebruiken zij de rijbaan. Het samenstel van deze bepalingen brengt mee dat een bord G11 met het onderbord ‘snorfietsen niet toegestaan’ aanduidt dat snorfietsers gebruik moeten maken van de rijbaan.
5. Met de overweging van de kantonrechter dat verkeersdeelnemers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden en dat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt of de verkeerstekens al dan niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst, heeft de kantonrechter voornoemde grond in diens oordeel betrokken. Het verweer dat de kantonrechter dit niet zou hebben gedaan, faalt.
6. De grond dat geen deugdelijke bebording aanwezig was wordt eveneens verworpen. De ambtenaar verklaart dat de bebording duidelijk en zichtbaar was geplaatst aan het begin van het fietspad. Bovendien verklaart de ambtenaar dat hij de betrokkene het bord zag passeren. De enkele betwisting van de aanwezigheid van het bord leidt niet tot twijfel aan die verklaring.
7. Gelet op het voorgaande zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.