Uitspraak
[appellant],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde3],
[geïntimeerden],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond een geschil centraal over de toepassing van een meerwaardeclausule in een akte van verdeling tussen partijen. Geïntimeerden hadden appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 588.066,90, vermeerderd met rente en kosten, wat door het hof in een eerdere uitspraak was bekrachtigd.
Appellant stelde dat in het vonnis van 4 mei 2016 een kennelijke fout zat in de berekening van het verschuldigde bedrag, die eenvoudig hersteld kon worden op grond van artikel 31 Rv Pro. De rechtbank wees dit verzoek tot verbetering af, waarna appellant in hoger beroep ging.
Het hof oordeelde dat het beroep op artikel 31 Rv Pro geen doorbrekingsgrond voor het rechtsmiddelenverbod opleverde. De stellingen van appellant dat de rechtbank artikel 31 Rv Pro buiten toepassing had gelaten of essentiële procesnormen had verzuimd, waren onvoldoende onderbouwd. Het hof verwierp het hoger beroep en veroordeelde appellant in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt het strikte karakter van het rechtsmiddelenverbod onder artikel 31 Rv Pro en benadrukt dat alleen bij duidelijke en onderbouwde doorbrekingsgronden hoger beroep mogelijk is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.