Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2023:5540

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juni 2023
Publicatiedatum
3 juli 2023
Zaaknummer
21-004721-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 63 SrArt. 285 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen, veroordeling bedreiging met mes tot één maand gevangenisstraf

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd vrijgesproken van het witwassen van €8.722,- en medeplichtigheid daaraan, omdat onvoldoende bewijs was dat hij betrokken was bij de transacties op zijn bankrekening.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 9 maart 2021 te een pleegplaats in de betreffende gemeente het slachtoffer heeft bedreigd door dreigend een mes in haar richting te houden. Dit feit kwalificeert als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het hof hield rekening met het strafblad van verdachte, dat onder meer vermogensdelicten, drugsgerelateerde feiten en huiselijk geweld bevat, en met reclasseringsrapporten die een fragiel evenwicht en problemen met cocaïnegebruik signaleren. Gezien de ernst van het feit en recidive werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand opgelegd, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen vanwege de vrijspraak van het witwassen.

Het vonnis werd op 30 juni 2023 uitgesproken door mr. E.M.J. Brink, mr. F. van der Maden en mr. H.K. Elzinga.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van witwassen en veroordeeld voor bedreiging met mes tot één maand gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004721-21
Uitspraak d.d.: 30 juni 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 oktober 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-068448-21 en 18-098158-21, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 18-098158-21 primair en subsidiair tenlastegelegde en tot veroordeling van verdachte voor het in de zaak met parketnummer 18-068448-21 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. R.I. Kool, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer
18-098158-21 primair tenlastegelegde en verdachte veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 18-068448-21 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
18-098158-21 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 8.722,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-068448-21:
hij op of omstreeks 9 maart 2021 te [pleegplaats 1] , gemeente [pleeggemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, bestaande hierin, dat verdachte toen aldaar, zich bevindende op enige/korte afstand van die [slachtoffer] , opzettelijk dreigend een mes, in de richting van die [slachtoffer] te houden/tonen;
Zaak met parketnummer 18-098158-21 (gevoegd):
hij (op verschillende tijdstippen) op of omstreeks 21 september 2020 te [pleegplaats 2] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, zijnde in totaal (ongeveer) 8722,-- euro, heeft verworven of voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n)(meermalen) dat/die geldbedrag(en) op verdachtes bankrekening [nummer 1] ontvangen en/of (vervolgens) dat geld opgenomen en/of ter beschikking gesteld en/of gekregen, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf
subsidiair
een of meer onbekend gebleven persoon/personen (op verschillende tijdstippen) op of omstreeks 21 september 2020, te [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, zijnde in totaal (ongeveer) 8722,-- euro, in elk geval een hoeveelheid geld, heeft/hebben verworven of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik gemaakt, immers heeft/hebben die onbekend gebleven persoon/personen (meermalen) dat/die geldbedrag(en) laten storten op verdachtes bankrekening [nummer 1] en/of (vervolgens) dat geld opgenomen, terwijl die persoon/personen wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door opzettelijk die persoon/personen verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening [nummer 2] ter beschikking te stellen en/of toe te staan dat die persoon/personen verdachtes bankrekening mochten gebruiken;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Zaak met parketnummer 18-098158-21
Verdachte wordt, zakelijk weergegeven, verweten dat hij een geldbedrag van in totaal
€ 8.722,- heeft witgewassen, dan wel dat hij daaraan medeplichtig is geweest. Verdachte heeft deze beschuldigingen ontkend en namens hem is in hoger beroep vrijspraak bepleit.
Uit het dossier blijkt dat aangeefster [benadeelde] op 21 september 2020 twee geldbedragen van in totaal € 8.722,- heeft overgemaakt naar een bankrekening op naam van verdachte, nadat zij via Whatsapp was benaderd door iemand die zich voordeed als haar dochter. Binnen een half uur zijn van diezelfde bankrekening op naam van verdachte kort achter elkaar zes contante geldopnames gedaan in [pleegplaats 3] , waarbij een bedrag van € 8.720,- is opgenomen.
Verdachte heeft de betreffende bankrekening in september 2020 geopend. Daarbij is één pinpas aangevraagd. Naast voornoemde transacties hebben op de rekening transacties plaatsgevonden op 11, 12 en 14 september, en is op 25 september een bedrag afgeschreven met als omschrijving:
‘bijdrage voor de vervanging van een nieuwe Betaalpas.’
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de bankrekening had geopend en dat hij zijn pinpas met bankpapieren, waaronder de pincode, in een enveloppe in zijn auto bewaarde, dat hij zijn auto had uitgeleend aan mensen die hij vertrouwde, en dat hij later zag dat de enveloppe met inhoud weg was.
Er is onderzoek gedaan naar het telefoonnummer waarmee aangeefster is benaderd om geldbedragen over te maken. Dit telefoonnummer bleek een prepaid-nummer te zijn en kon niet aan een persoon worden gekoppeld. Het dossier bevat geen camerabeelden van de contante geldopnames in [pleegplaats 3] van de rekening van verdachte. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat verdachte op 22 september 2020 in [pleegplaats 3] is geweest.
De advocaat-generaal is van oordeel dat er bij deze stand van zaken onvoldoende bewijs is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (medeplichtigheid aan) witwassen en heeft daarom vrijspraak van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde gevorderd. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij en wat dit strafbare feit voor deze heeft betekend.
Het hof komt tot, op basis van de in het dossier voorhanden zijnde gegevens, tot dezelfde conclusie. Bovengenoemde feiten en omstandigheden zijn op zijn minst opmerkelijk te noemen en de verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd roept vragen op. Wat hier ook van zij, het dossier bevat naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten voor strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte aan het hem tenlastegelegde. Daarmee is er geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de op zijn rekening gestorte geldbedragen, dan wel dat hij daaraan medeplichtig is geweest. Het hof zal verdachte daarom van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-068448-21 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 18-068448-21:hij op 9 maart 2021 te [pleegplaats 1] , gemeente [pleeggemeente] , [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, bestaande hierin, dat verdachte toen aldaar, zich bevindende op korte afstand van die [slachtoffer] , opzettelijk dreigend een mes in de richting van die [slachtoffer] heeft gehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-068448-21 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer] door een mes in haar richting te houden. Door zijn handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.
Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 11 mei 2023 , waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen jaren vaker is veroordeeld voor strafbare feiten. Dit betroffen veelal vermogensdelicten, maar ook drugsgerelateerde feiten en huiselijk geweld komen op zijn strafblad voor. Het hof zal dit in het nadeel van verdachte meewegen in de strafmaat.
Uit een over verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 11 oktober 2021 komt naar voren dat verdachte ogenschijnlijk zijn best doet om zijn leven een andere wending te geven, maar dat hij er nog niet in slaagt een delictvrij leven te leiden. De reclassering constateert dat er problemen zijn op verschillende levensgebieden, dat verdachte delictgedrag niet afwijst en dat een gedragsverandering bij verdachte nog niet is bewerkstelligd. Op 25 oktober 2022 heeft Reclassering Nederland ten behoeve van een andere strafzaak opnieuw over verdachte gerapporteerd. In dat rapport komt grosso modo hetzelfde beeld van een fragiel evenwicht naar voren, waarin verdachte enerzijds lijkt te proberen zijn leven op positieve wijze vorm te geven, maar er anderzijds problemen zijn met cocaïnegebruik en het onderhouden van een risicovol sociaal netwerk.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte namens hem naar voren gebracht dat verdachte fulltime werkt als pakketbezorger en dat hij doende is van zijn verslaving af te komen. Het is onbekend of verdachte op dit moment woonruimte heeft en of het contact dat hij met de reclassering zou moeten hebben goed verloopt. De relatie met zijn vriendin is verbroken.
Gelet op de aard en ernst van het feit, het strafblad van verdachte en in het bijzonder de recidive met betrekking tot geweld in de relationele sfeer, is het hof, mede gelet op art. 22b Sr, van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht - in aanmerking genomen dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is - oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.702,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.722,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-098158-21 primair en subsidiair bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22b, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-098158-21 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-068448-21 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-068448-21 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. E.M.J. Brink, voorzitter,
mr. F. van der Maden en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier,
en op 30 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.