De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “R414A - zonder ontheffing parkeren van een voertuig langer dan 6 m / hoger dan 2,4 m op een plaats waar dit verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 september 2020 om 21:38 uur op de Notenhagen in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat uit de verklaring van de ambtenaar onvoldoende volgt dat het voertuig ter plaatse correct is gemeten, nu de ambtenaar verklaart dat hij zag het voertuig circa 2,50 meter hoog was. De betrokkene betwist dat het voertuig hoger is dan 2,4 meter. Ook is volgens de gemachtigde een aanwijzingsbesluit nodig voor de vaststelling van de gedraging, omdat het om een aangewezen gebied zou gaan. Verder is niet duidelijk vermeld welk wettelijke voorschrift exact is overtreden, nu artikel 5:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Rotterdam uit meerdere leden bestaat. Tot slot meent de gemachtigde dat de verkeerde feitcode is gebruikt, nu uit de foto’s in het dossier blijkt dat het voertuig van de betrokkene in een woonwijk stond geparkeerd, zodat feitcode R414C aan de orde is.
3. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:
"Overtreden artikel: PL. V (…)
Ik zag dat het voornoemde voertuig hoger dan 2.4, namelijk circa 2.50 meter, geparkeerd stond op een plaats waar dit verboden is in verband met het uiterlijk aanzien van de gemeente."
4. In een aanvullend proces-verbaal van 4 november 2020 verklaart de ambtenaar nog als volgt:
"Op (…) 6 september, omstreeks 21:38 uur, bevond ik mij (…) op de openbare weg, Notenhagen te Rotterdam en constateerde aldaar het volgende: ik zag dat daar een voertuig die volgens artikel 5:8 uit de APV van Rotterdam hoger is dan 2 meter 40 (…) geparkeerd stond in het aangewezen gebied, IJsselmonde te Rotterdam. In dit gebied, IJsselmonde, is het verboden voor motorvoertuigen te parkeren voor voertuigen hoger dan 2,40 meter of langer dan 6,0 meter. (…) Na het opmeten middels mijn rolmaat zag ik dat het bovengenoemde motorvoertuig circa 2,50 meter hoog was."
Bij het proces-verbaal zijn foto's gevoegd, waarop de betreffende bebording zichtbaar is.
5. Artikel 5.8, eerste lid, van de APV Rotterdam 2012 luidt:
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:
"a. op een door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaats;
b. op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan."
6. Artikel 6 van het Algemeen aanwijzingsbesluit gebied IJsselmonde bij de APV Rotterdam 2012 luidt als volgt:
"Op grond van artikel 5:8, eerste lid, onderdeel a, van de APV Rotterdam 2012, wordt als gebied waar het verboden is een voertuig te parkeren dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter aangewezen het gehele gebied IJsselmonde, met uitzondering van:
a. een deel van het evenementenparkeerterrein aan de Edo Bergsmaweg, onder de restrictie dat dit terrein niet tijdens grote evenementen gebruikt kan worden;
b. Hordijk Oost, vrachtwagenparkeerplaats Benedenheulstraat;
c. de Schouwmeesterweg behoudens de gedeelten die tegenover uitritten van aanpalende bedrijven zijn gesitueerd."
7. Gelet op het vorenstaande kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een plaats die is aangewezen ingevolge artikel 5.8, eerste lid, van de APV Rotterdam 2012. Met de beslissing van de kantonrechter was het voor de betrokkene voldoende duidelijk welke regelgeving aan de administratieve sanctie ten grondslag ligt. Voor zover die niet in de inleidende beschikking was opgenomen, is niet gebleken dat de betrokkene hierdoor zodanig in zijn rechtens te respecteren belangen is geschaad, dat daaraan rechtsgevolgen zouden moeten worden verbonden. Verder gaat de gemachtigde kennelijk uit van een verkeerde lezing van de feitcode R414C. Laatstgenoemde feitcode ziet op hinder als bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, onder b, terwijl het hier gaat om een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, onder a.
8. Het hof ziet in de enkele stelling van de betrokkene, dat zijn voertuig niet hoger is dan 2,40 meter, geen aanleiding om aan de door de ambtenaar uitgevoerde meting te twijfelen. De ambtenaar heeft de hoogte van het voertuig met een rolmaat opgemeten en vastgesteld dat het circa 2.50 meter hoog was, in ieder geval hoger dan 2,40 meter. De betrokkene heeft niet met stukken of anderszins aannemelijk gemaakt dat het voertuig de hoogtegrens van 2,40 meter niet overschrijdt.
9. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat het hof die beslissing zal bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.