ECLI:NL:GHARL:2023:5561

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 juli 2023
Publicatiedatum
3 juli 2023
Zaaknummer
Wahv 200.320.153/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 6 lid 2 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor als bromfietser niet gebruik rijbaan bij ontbreken fiets/bromfietspad

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor het rijden op een voetpad met een bromfiets, terwijl er geen fiets/bromfietspad aanwezig was. De kantonrechter wijzigde de feitcode en verlaagde de sanctie, maar de betrokkene stelde dat het pad geen voetpad was omdat het bord ter plaatse niet voldeed aan de definitie van een bord G7.

Het hof onderzocht de situatie ter plaatse, onder meer via Google Maps Street View, en concludeerde dat het pad een gravelpad was gescheiden van de rijbaan en geen fiets/bromfietspad of rijbaan was. Volgens artikel 6 lid 2 RVV Pro 1990 moeten bromfietsers de rijbaan gebruiken als er geen fiets/bromfietspad is, wat de betrokkene niet deed.

De vraag of het pad een voetpad is, was niet relevant voor de overtreding. Het hof wees ook op jurisprudentie dat een voetpad niet per se met een bord G7 hoeft te worden aangeduid. De aangevoerde bezwaren van de betrokkene faalden, waardoor het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie voor het niet gebruiken van de rijbaan door de bromfietser bij ontbreken van een fiets/bromfietspad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.320.153/01
CJIB-nummer
: 235105841
Uitspraak d.d.
: 3 juli 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 11 november 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking gewijzigd voor wat betreft de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag van de sanctie en het verzoek om een proceskostenvergoeding toegewezen tot een bedrag van € 785,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor de gedraging met feitcode R315a: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 juli 2020 om 17:06 uur op de Raadhuisweg in Reeuwijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag van de sanctie gewijzigd in respectievelijk “R311”, “als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad” en “€ 95,-”.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat ook de gedraging met feitcode “R311” niet is verricht, nu niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene als bromfietser op een voetpad heeft gereden. Het betreffende pad kan niet als voetpad worden aangemerkt, aangezien het bord dat ter plaatse is aangebracht niet als een bord G7 kwalificeert en dus ook geen voetpad in het leven roept. De gemachtigde heeft een foto van het ter plaatse aangebrachte bord bijgevoegd.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht houdt zakelijk weergegeven onder meer in dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat met de bromfiets met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats werd gereden op een middels een bord G7 van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) aangeduid weggedeelte dat is bestemd voor het verkeer van voetgangers.
6. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal d.d. 29 december 2020, waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:
“Op 22 juli 2020 om 17:06 uur reed ik op de Raadhuisweg te Reeuwijk. Dit is een voor het openbaar verkeer openstaande weg met aan een zijde een trottoir en aan de andere zijde een gravelpad. Dit pad is van de hoofdrijbaan afgescheiden door middel van een groenstrook. Ik zag dat aan het begin van het gravelpad een bord zichtbaar was geplaatst. Dit bord gaf aan dat het een voetpad betrof. Ik zag dat het bord een wit onderbord had waarop stond dat bromfietsers gebruik moeten maken van de rijbaan. Hierdoor was duidelijk aangegeven dat dit een weg betreft waar het niet op is toegestaan om met een bromfiets te rijden. (…) Op het genoemde tijdstip zag ik dat twee bromfietsen in plaats van de hoofdrijbaan het voetpad gingen gebruiken. (…) Doordat de bromfietsen mij passeerden kon ik het kenteken van de achterste bromfiets lezen. Ik zag dat dit het kenteken [kenteken] betrof.”
7. De gedraging met feitcode R311 betreft een overtreding van artikel 6, tweede lid, van het RVV 1990. Hierin is bepaald dat bromfietsers de rijbaan gebruiken indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.
8. Naar aanleiding van de door de gemachtigde overgelegde foto heeft het hof zich via Google Maps Street View georiënteerd op de situatie ter plaatse. Hieruit blijkt dat ter plaatse sprake is van een rijbaan. Aan de ene kant van de rijbaan bevindt zich een trottoir. Aan de andere kant van de rijbaan bevindt zich een gravelpad. Dit pad is door middel van een groenstrook gescheiden van de rijbaan. Aan het begin van dit pad bevindt zich een rechthoekig blauw bord. Hierop is een afbeelding van een bord G7 te zien met daarnaast een rode afbeelding van een fietser. Hierboven staat de tekst “voetpad” en daaronder de tekst “fietsers te gast”. Onder dit bord bevindt zich een onderbord met de tekst “bromfietsers naar rijbaan”.
9. Het hof stelt vast dat ter plaatse een fiets/bromfietspad ontbreekt. Dit brengt gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van het RVV 1990 mee dat bromfietsers de rijbaan dienen te gebruiken. Dat heeft de betrokkene niet gedaan. Hij reed namelijk over het gravelpad. Of dit pad al dan niet als voetpad kan worden aangemerkt is in dit geval niet relevant. Relevant is slechts of dit pad is aan te merken als een fiets/bromfietspad, dan wel als een rijbaan. Dat is beide niet het geval, zodat kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Ten overvloede wijst het hof de gemachtigde er nog op dat een voetpad niet met een bord G7 hoeft te worden aangeduid (vgl. het arrest van het hof van 10 oktober 2022, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:8622).
11. Nu de aangevoerde grond geen doel treft, zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.