ECLI:NL:GHARL:2023:5598

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
Wahv 200.313.265/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs bestuurderschap voertuig

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor het parkeren op een verboden plek volgens bord E1 op 13 september 2020 in Schiphol. De betrokkene stelde dat hij passagier was en niet de bestuurder. De ambtenaar heeft niet vastgesteld wie de bestuurder was en heeft de sanctie aan betrokkene opgelegd.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het gerechtshof oordeelde dat op basis van de verklaring van de ambtenaar niet kan worden vastgesteld dat betrokkene de bestuurder was. Volgens artikel 5 Wahv Pro mag een sanctie alleen aan de bestuurder of kentekenhouder worden opgelegd als de bestuurder onbekend is.

Het hof vernietigt daarom de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €1.284,75. Tevens wordt het door betrokkene gestelde zekerheidbedrag gerestitueerd.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd omdat niet is vastgesteld dat betrokkene de bestuurder was en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.265/01
CJIB-nummer
: 237172609
Uitspraak d.d.
: 4 juli 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 1 juni 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor:
“een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbodszone)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 september 2020 om 15:14 uur op de Westelijke Randweg in Schiphol met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de ambtenaar ten onrechte de sanctie heeft opgelegd aan de betrokkene. De betrokkene was de passagier van het voertuig en niet de bestuurder. De bestuurder was ook ter plaatse, maar de ambtenaar heeft niet gevraagd wie de bestuurder was. Een sanctie kan slechts worden opgelegd aan de bestuurder of indien de bestuurder onbekend is aan de kentekenhouder en dus niet aan een passagier.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Bord E1 RVV 1990 is geplaatst aan de zijde van de weg alwaar het voertuig stond geparkeerd. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 4 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van een onmiddellijk laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen. Ik heb geen voor dat gebied geldige ontheffing waargenomen. (…) Aan betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: ik moest naar de wc.”
4.
Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
5. Niet is gebleken dat de ambtenaar nadat hij de betrokkene had staandegehouden en de cautie had gegeven, ook gevraagd heeft of de betrokkene – als bestuurder – de gedraging had verricht. Gelet op wat namens de betrokkene naar voren is gebracht houdt het hof het er daarom voor dat de ambtenaar zelf het vermoeden kreeg dat de betrokkene de bestuurder was geweest van het voertuig en hem met de geconstateerde gedraging heeft geconfronteerd.
6. Nu op basis van de verklaring van de ambtenaar niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene de bestuurder van het voertuig was, kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna te melden.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.284,75 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.284,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.