ECLI:NL:GHARL:2023:5665

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juli 2023
Publicatiedatum
5 juli 2023
Zaaknummer
Wahv 200.312.993/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:17 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie wegens onnodig geluid bij verkeerscontrole

De betrokkene stelde beroep in tegen een administratieve sanctie van €390 wegens het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig tijdens een verkeerscontrole. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De gemachtigde voerde aan dat de beslissing van de officier van justitie niet aan hem was verzonden, waardoor de beroepstermijn niet was gestart.

Het hof oordeelde dat de beslissing niet aan de gemachtigde was verzonden, wat een schending van artikel 6:17 Awb Pro betekent. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de beslissing op juiste wijze bekend was gemaakt en diende de niet-ontvankelijkverklaring te worden vernietigd. Vervolgens beoordeelde het hof de inhoud van het beroep.

De sanctie was opgelegd omdat de bestuurder niet was staandegehouden, met als reden een hogere prioriteit van een andere staandehouding. Het hof vond deze verklaring onvoldoende onderbouwd en stelde dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd. Het hof vernietigde daarom ook de sanctiebeschikking en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking en verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.312.993/01
CJIB-nummer
: 236052515
Uitspraak d.d.
: 5 juli 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 20 mei 2022, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. D.R. Corbeek, advocaat te Arnhem.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie ten onrechte niet naar de gemachtigde is verzonden. De officier van justitie had moeten reageren op de email van de gemachtigde van 21 januari 2021.
3. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
4. De beslissing van de officier van justitie is op 28 januari 2021 aan de betrokkene toegestuurd. Het beroepschrift is gedateerd 13 maart 2021 en op die datum via het Digitaal Loket door de officier van justitie ontvangen. Het beroepschrift is niet binnen zes weken na toezending van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene ingediend.
5. Verder blijkt uit het dossier het volgende. De betrokkene heeft administratief beroep ingesteld, daarbij vertegenwoordigd door [naam1] . Bij e-mail van 21 januari 2021 heeft de gemachtigde van de betrokkene, mr. D.R. Corbeek, het parket CVOM laten weten als gemachtigde op te treden in deze zaak en twee andere zaken van de betrokkene. De gemachtigde verzoekt om aanhouding van deze zaak in afwachting van de beslissing in een andere zaak van de betrokkene, waarin beroep is ingesteld bij de kantonrechter. De motivering van de beslissing van de officier van justitie die door het parket CVOM is verzonden is gedateerd 20 januari 2021.
6. Als een betrokkene zich laat vertegenwoordigen, moet de post in ieder geval aan de gemachtigde worden toegestuurd (artikel 6:17 van Pro de Awb). Gelet hierop hadden de poststukken aangaande het administratief beroep vanaf 21 januari 2021, de dag dat de gemachtigde de officier van justitie laat weten de betrokkene te vertegenwoordigen, naar de gemachtigde verzonden moeten worden. De beslissing van de officier van justitie van 28 januari 2021 had daarom (ook) naar de gemachtigde moeten worden toegezonden. Dat op dat moment de officier van justitie al had beslist op het administratief beroep doet hier niet aan af. Uit het dossier blijkt dat de beslissing van de officier van justitie van 28 januari 2021 niet (ook) naar de gemachtigde is toegestuurd. Dit brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de beslissing van de officier van justitie op juiste de wijze bekend is gemaakt. De beroepstermijn is daarom niet gestart. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte nietontvankelijk verklaard. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 augustus 2020 om 13:27 uur op de Driepoortenweg in Arnhem met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard.
8. De gemachtigde voert aan dat de bestuurder ten onrechte niet is staandegehouden. Er zou niet zijn staandegehouden omdat er een staandehouding was met hogere prioriteit, maar dit is op geen enkele wijze toegelicht. Er was sprake van een verkeerscontrole, waarbij men in staat is of moet zijn bestuurders staande te houden.
9. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, hoorde dat het voertuig een luid klappend uitlaatgeluid veroorzaakte door het geven van een onnodige hoeveelheid gas. Dit gebeurde toen het voertuig een politiecontrole passeerde.
Reden geen staandehouding: In verband met hoger geprioriteerde staandehouding.”
11. Naar het oordeel van het hof blijkt, zonder nadere uitleg, uit deze verklaring onvoldoende dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan de bestuurder van het voertuig staande te houden. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt niet waarom de staandehouding van de andere bestuurder prioriteit had. De sanctie is daarom ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en het indienen van de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.464,75.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.464,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.