Uitspraak
- 200.327.338/01 (machtiging tot uithuisplaatsing)
- 200.327.341/01 (gesloten plaatsing)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de bijzondere curator van een jeugdige tegen twee beschikkingen: een machtiging tot uithuisplaatsing en een machtiging tot gesloten jeugdhulp. De rechtbank Midden-Nederland had beide machtigingen verleend vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling ernstig belemmeren.
De machtiging tot uithuisplaatsing is niet ten uitvoer gelegd binnen drie maanden, waardoor deze is komen te vervallen. Het hof verklaart het hoger beroep hierover niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de machtiging gesloten jeugdhulp oordeelt het hof dat hoewel aan de wettelijke vereisten is voldaan, de maatregel niet passend en doelmatig is. De jeugdige is sinds de plaatsing weggelopen en verblijft op een onbekende plek, waardoor het doel van de gesloten plaatsing niet is bereikt.
Het hof heeft de jeugdige een laatste kans geboden om in gesprek te gaan met de gezinsvoogd over zijn situatie en hulpbehoefte. Er is een eerste gesprek geweest, maar nog geen concreet plan. Gezien de recente start van de gezinsvoogd en het ultimum remedium karakter van gesloten plaatsing, biedt het hof ruimte voor verdere dialoog. De machtiging gesloten jeugdhulp wordt daarom met onmiddellijke ingang beëindigd, waarbij terugkeer naar de moeder geen optie is en de jeugdige een alternatieve woonplek moet zoeken.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing niet-ontvankelijk en beëindigt de machtiging gesloten jeugdhulp wegens gebrek aan doelmatigheid.