ECLI:NL:GHARL:2023:6679

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 augustus 2023
Publicatiedatum
7 augustus 2023
Zaaknummer
Wahv 200.321.787/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende onderbouwing staandehouding bestuurder

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd voor het rijden op het trottoir met een voertuig op 24 mei 2021 in 's-Gravenhage. De sanctie werd aan de kentekenhouder opgelegd omdat de bestuurder zich aan de staandehouding zou hebben onttrokken.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de sanctie onterecht was, omdat niet was aangetoond dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Het hof oordeelde dat de enkele vermelding dat de bestuurder zich aan de staandehouding onttrok onvoldoende is om te concluderen dat staandehouding onmogelijk was.

Het hof vernietigde daarom de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond had verklaard. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.321.787/01
CJIB-nummer
: 241414371
Uitspraak d.d.
: 7 augustus 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 mei 2021 om 01.37 uur op het Buitenom in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd, nu niet valt in te zien waarom een reële mogelijkheid tot staandehouding ontbrak. De gemachtigde stelt dat de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht daarover onvoldoende informatie geeft, nu deze slechts een conclusie inhoudt, zonder aanduiding van wat de feiten en omstandigheden waren.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. In het zaakoverzicht staat als reden dat niet is staande gehouden vermeld: "Voertuig onttrok zich aan zijn staande houding".
5. Het hof is van oordeel dat uit deze verklaring van de ambtenaar onvoldoende blijkt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder was. Dat (de bestuurder van) het voertuig van betrokkene zich aan staandehouding onttrok, houdt niet noodzakelijkerwijs in dat geen staandehouding kon worden verricht. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt niet waarom de bestuurder niet kon worden gemaand te stoppen of achterna kon worden gereden teneinde hem staande te houden. Het hof ziet geen aanleiding om nu alsnog nadere informatie op te (doen) vragen bij de ambtenaar. Bij deze stand van zaken kan het hof niet vaststellen dat er zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Dat brengt mee dat de sanctie niet aan de betrokkene als kentekenhouder had mogen worden opgelegd, zodat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Het voorgaande brengt mee dat de overige bezwaren geen bespreking behoeven.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het indienen van hoger beroepschrift, dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.703,25 (= 1,5 x € 597 x 0,5 + 3 x € 837 x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.703,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.