ECLI:NL:GHARL:2023:6793

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 augustus 2023
Publicatiedatum
14 augustus 2023
Zaaknummer
21-001507-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs zware mishandeling in caféincident

Op 1 maart 2020 vond een incident plaats in een café waarbij het slachtoffer twee verwondingen in zijn gezicht opliep. Het was druk en chaotisch, getuigenverklaringen liepen uiteen en de meeste betrokkenen hadden gedronken. Het hof heeft onvoldoende overtuigend bewijs gevonden dat verdachte verantwoordelijk was voor het letsel.

De politierechter had verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf wegens poging zware mishandeling, maar het hof vernietigt dit vonnis vanwege een andere bewijswaardering. Verdachte wordt vrijgesproken van zowel de poging tot zware mishandeling als de mishandeling zelf.

De benadeelde partij had een schadevergoeding van €1.829,89 gevorderd, waarvan €601,53 was toegewezen door de politierechter. Nu verdachte niet schuldig is bevonden, verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor zware mishandeling en poging daartoe.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001507-21
Uitspraak d.d.: 14 augustus 2023
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2021 met parketnummer 16-209856-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H. Dijkstra en de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ter zake van een poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van twee jaar. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht, heeft toegebracht door die [benadeelde partij] in het gezicht te slaan/stompen met (kapot) bierflesje;subsidiair
hij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde partij] met een (kapot) bierflesje in het gezicht heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;meer subsidiair
hij op of omstreeks 1 maart 2020 te [pleegplaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] met een (kapot) bierflesje te slaan/stompen in het gezicht, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht ten gevolge heeft gehad.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Op 1 maart 2020 vond een incident plaats in [café] te [pleegplaats] .
Daarbij waren twee vriendengroepen betrokken, onder wie in ieder geval verdachte met zijn broer [broer] , een vriend, [vriend] , en [naam] enerzijds en [benadeelde partij] met [toenmalige vriendin] (toenmalige vriendin van [benadeelde partij] ) en [ex-zwager] (ex-zwager van [benadeelde partij] ) anderzijds. Uit de verklaringen van getuigen blijkt dat het op dat moment zeer druk was in de bar.
De verklaringen van de getuigen over het verloop van het incident lopen uiteen.
Wel staat vast dat [benadeelde partij] letsel heeft opgelopen. Uit dat letsel blijkt dat hij moet zijn geslagen of gestoken met een scherp voorwerp. Uit de overgelegde verklaring van zijn huisarts blijkt dat hij geen ander letsel heeft opgelopen dan de twee sneeën in zijn gezicht. Het hof is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen en de aangifte onvoldoende overtuigend naar voren is gekomen dat het verdachte was die [benadeelde partij] heeft geslagen met een scherp voorwerp. Het was druk en chaotisch in de bar, de meeste betrokkenen hadden behoorlijk gedronken, [benadeelde partij] had al eerder op de avond ruzie gezocht met verschillende andere personen en de getuigenverklaringen lopen uiteen. Het hof heeft daarom niet de overtuiging gekregen dat verdachte zich aan zware mishandeling van [benadeelde partij] of een poging daartoe heeft schuldig gemaakt.
Meer subsidiair is verdachte tenlastegelegd dat hij [benadeelde partij] heeft mishandeld. Verdachte heeft toegegeven dat hij een slaande beweging naar [benadeelde partij] heeft gemaakt en dat hij hem mogelijk heeft geraakt. Zijn broer [broer] heeft verklaard dat verdachte [benadeelde partij] met zijn vuist heeft geraakt. Nu echter niet is gebleken dat het letsel of de pijn die [benadeelde partij] heeft opgelopen het gevolg zijn van een klap of vuistslag zal verdachte ook worden vrijgesproken van (eenvoudige) mishandeling.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.829,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 601,53. De benadeelde partij heeft de vordering gehandhaafd.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. F.A.M. Bakker en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,
en op 14 augustus 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.