De vader en moeder zijn gezamenlijk gezaghebbenden over hun in 2021 geboren minderjarige kind. De rechtbank had bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder is en stelde een zorgregeling vast waarbij het kind in oneven weken van woensdag tot vrijdag bij de vader verblijft en in even weken van vrijdag tot zondag. De vader kwam in hoger beroep met zes grieven, waaronder het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem, aanpassing van de zorgregeling, en vergoeding van reiskosten.
De moeder kwam in incidenteel hoger beroep met een grief tegen de zorgregeling en de haal- en brengregeling, met een alternatief voorstel voor verblijf bij de vader. Het hof heeft de grieven van beide ouders per onderwerp behandeld. Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft vastgesteld, omdat het belang van het kind het best gediend is met continuering van de bestaande situatie sinds juni 2021.
Het hof verwierp het verzoek van de vader om de moeder te dwingen terug te verhuizen, omdat er nooit een stabiele woonsituatie in de regio van de vader is geweest en de moeder inmiddels een eigen woning heeft. De zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank blijft gehandhaafd, omdat deze het beste aansluit bij de leeftijd en het belang van het kind. Het hof wees het verzoek van de vader tot vergoeding van reiskosten af wegens gebrek aan wettelijke grondslag. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd vanwege de relatie tussen partijen en het belang van het kind.