ECLI:NL:GHARL:2023:728

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
25 januari 2023
Zaaknummer
200.317.724/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor doorrijden door roodlicht tijdens heimelijke achtervolging

De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd voor het doorrijden bij een rood verkeerslicht op 11 juni 2021 in Amsterdam. De betrokkene stelde dat de bewijslast bij de officier van justitie lag en dat er wel degelijk een reële mogelijkheid tot staandehouding was. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep bevestigde het gerechtshof deze beslissing. Uit het dossier bleek dat de ambtenaren in burger en in een onopvallend voertuig een ander subject heimelijk volgden en daarom geen staandehouding konden verrichten. De omstandigheden maakten een achtervolging noodzakelijk, waardoor het niet redelijk was om de bestuurder van het voertuig staande te houden.

De verwijzing naar een eerder arrest was niet relevant omdat die zaak niet vergelijkbaar was. Het hof oordeelde dat de sanctie terecht was opgelegd aan de kentekenhouder. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €250 voor doorrijden door roodlicht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.317.724/01
CJIB-nummer
: 241892070
Uitspraak d.d.
: 25 januari 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 21 december 2022 is nog een schriftelijk standpunt ten behoeve van de advocaat-generaal binnengekomen.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 januari 2023. Namens de gemachtigde van de betrokkene is verschenen [naam1] . De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 juni 2021 om 15:42 uur op de Ataturk, rechtsaf de Klaprozenweg op, in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging en voert aan dat de bewijslast bij de advocaat generaal ligt. Verder voert hij aan dat onvoldoende is komen vast te staan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De enkele mededeling van de ambtenaar dat hij bezig was een ander subject te volgen, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 18 augustus 2021, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2021:7942. Volgens de gemachtigde lijdt de beslissing van de kantonrechter ter zake van deze beroepsgrond aan een motiveringsgebrek.
3. De stelling van de gemachtigde dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de advocaat-generaal aannemelijk maakt dat de gemotiveerde stelling dat de gedraging niet is verricht onjuist is, vindt geen steun in het recht.
4. Het zaakoverzicht waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, bevat onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 2,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Reden geen staandehouding: geheel in burger gekleed en met opdracht belast.”
5. Verder bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2021, waarin de ambtenaar, voor zover relevant, het volgende verklaart:
“Op vrijdag 11 juni 2021, omstreeks 15.45 uur, waren wij, verbalisanten (…), in burger gekleed en met een speciale opdracht belast en reden wij in een onopvallend dienstvoertuig op de openbare weg, de Atatürk in Amsterdam.
Wij reden achter een subject aan dat wij enkele minuten aan het volgen waren. Tijdens het heimelijk volgen van ons subject, zagen wij dat wij van links werden ingehaald door een voertuig van het merk Mercedes, type E63 AMG, voorzien van het kenteken [kenteken] . (…)
Wij (…) konden het subject dat wij heimelijk volgden niet loslaten en kozen ervoor om de gedraging van de bestuurder van de genoemde Mercedes zonder staandehouding te verbaliseren.”
6. De betrokkene ontkent de gedraging, maar geeft hiervoor geen/onvoldoende argumenten.
Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
7. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. De hiervoor weergegeven inhoud van het zaakoverzicht en de verklaring van de ambtenaar sluiten de feitelijke mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig niet uit, maar deze mogelijkheid moet ook reëel zijn. Uit het relaas van de ambtenaar blijkt dat de aanwezige ambtenaren op dat moment waren belast met een heimelijke opdracht, waarbij zij het subject niet los konden laten. Het hof neemt daarbij mede in ogenschouw dat de ambtenaar relateert dat de bestuurder het licht negeerde en zijn weg vervolgde, hetgeen impliceert dat een staandehouding een achtervolging en daarmee langer durende afwezigheid noodzakelijk maakte. Bovendien blijkt uit de stukken dat de ambtenaren geheel in burger gekleed waren en in een onopvallend dienstvoertuig reden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de ambtenaar in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen om af te zien van staandehouding van de bestuurder van het voertuig. De verwijzing door de gemachtigde naar het door het hof gewezen arrest treft geen doel, aangezien dit arrest niet op een vergelijkbare situatie ziet. Anders dan in die zaak is in onderhavige zaak wel specifiek aangegeven dat de ambtenaren een subject heimelijk aan het volgen waren en dat zij het subject niet los konden laten. De sanctie is terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Deze grond faalt.
9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter op een deugdelijke motivering berust. De kantonrechter heeft voldoende - zij het summier - inzichtelijk gemaakt waarom de door de betrokkene aangevoerde gronden geen doel treffen. Het hof zal die beslissing dan ook bevestigen.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Broere als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.