Art. 2, eerste lid WahvArt. 4, eerste lid WahvArt. 9, eerste lid Parkeerverordening ’s-Hertogenbosch 1996Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving justitie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sanctie parkeren zonder duidelijk zichtbare vergunning op vergunninghoudersplaats
De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd wegens het parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder dat de vergunning duidelijk zichtbaar in het voertuig aanwezig was. De betrokkene voerde aan dat hij wel beschikte over een bezoekerskaart die echter achteraf van het dashboard was gevallen en daardoor niet zichtbaar was.
Het hof oordeelde dat de bezoekerskaart als vergunning kan worden beschouwd, maar dat het niet zichtbaar zijn van de vergunning in het voertuig onder de overtreding valt. De plaatselijke verordening verbiedt parkeren zonder vergunning of zonder dat de vergunning duidelijk zichtbaar is, en dit is ook in de feitcode R592a opgenomen.
De betrokkene stelde dat het overtreden voorschrift niet duidelijk was vermeld, wat zijn verdedigingsbelang zou schaden, maar het hof vond dat dit bezwaar geen doel treft omdat de informatie voldoende duidelijk was. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €95 wegens parkeren zonder duidelijk zichtbare vergunning op een vergunninghoudersplaats.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.312.484/01
CJIB-nummer
: 238458866
Uitspraak d.d.
: 30 augustus 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 7 april 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “R592A – voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 december 2020 om 12.01 uur op de Copernicuslaan te ’s-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde voert onder meer aan dat de betrokken in het bezit was van een vergunning, namelijk een ‘bezoekerskaart’. De betrokkene heeft deze op het dashboard gelegd, maar gebleken is dat deze achteraf op de stoel is gevallen. De sanctie kan niet in stand blijven, nu de ambtenaar heeft vastgesteld dat de vergunning niet zichtbaar is. Er bestaat geen rechtsgrond voor het opleggen van de sanctie.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende verklaring:
4. Het dossier bevat daarnaast een aanvullend proces-verbaal van 11 februari 2021 waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
"U stelt mij de vraag: inhoudelijk commentaar te geven op het verweer van de betrokkene.
Antwoord: in het beroepschrift van [naam1] B.V. staat vermeld dat de betrokkene een bezoekerskaart had gekregen van zijn vriendin en deze had gebruikt en de datum had ingevuld. De datum die staat vermeld is 3-3-2020. Deze datum is niet goed ingevuld. (…)
U stelt mij de vraag: kunt u aangeven of u de parkeervergunning heeft waargenomen.
Antwoord: het voertuig had geen digitale vergunning, dit is door mij nagetrokken door ons systeem. De foto die de betrokkene heeft bijgevoegd betreft een bezoekerskaartje en deze is niet door mij waargenomen en deze lag ook niet op het dashboard van het voertuig.”
5. Als bijlage bij dit aanvullend proces-verbaal is het brondocument gevoegd. Hierbij bevinden zich foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is het voertuig met het onder 1. genoemde kenteken te zien, waarin geen parkeervergunning zichtbaar is. Verder zijn bij het aanvullend proces-verbaal drie afdrukken van Google Maps Street View overgelegd.
6. Verder heeft de gemachtigde in administratief beroep een foto overgelegd van een zogeheten bezoekerskaart. Op de bezoekerskaart zijn de onder 1. genoemde datum en kenteken ingevuld. Daarnaast vermeldt de bezoekerskaart “ [nummer/naam] ”. Daarnaast heeft de betrokkene een verklaring van zijn vriendin overgelegd. Zij verklaart dat de betrokkene bij haar op bezoek was en zij hem een bezoekerskaart gegeven heeft die de betrokkene heeft ingevuld en in de auto heeft gelegd.
7. Het hof acht, op grond van de overgelegde foto en verklaring aannemelijk dat de betrokkene ten tijde van de gedraging beschikte over een -als vergunning te beschouwen- bezoekerskaart voor het parkeren ter plaatse. Dat de gemachtigde in het beroepschrift -abusievelijk- als datum 3 maart 2020 heeft vermeld doet hieraan niet af. De bezoekerskaart was echter niet zichtbaar in het voertuig aanwezig.
8. Met betrekking tot de rechtsgrond voor de oplegging van de sanctie overweegt het hof dat uit de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd ter zake van een overtreding van de "PL.V" (het hof begrijpt: plaatselijke verordening) en dat feitcode R592a is gehanteerd.
9. De hier relevante plaatselijke verordening betreft artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening ’s-Hertogenbosch 1996. Deze bepaling luidde ten tijde van de gedraging als volgt:
“1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een voertuig te plaatsen of geparkeerd te houden;
a. zonder vergunning;
b. zonder dat het voertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning;
c. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.”
10. Volgens de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv ziet feitcode R592a op het als bestuurder van een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorwaarden. Deze feitcode is per 1 januari 2017 ingevoerd. Daarvoor werd voor gedragingen als deze gebruik gemaakt van feitcode R592. De omschrijving van de gedraging bij deze feitcode luidde: "Als bestuurder van een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder (duidelijk zichtbare) parkeervergunning, dan wel in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorwaarden".
11. Aan het in een plaatselijke verordening neergelegde verbod om te parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder vergunning moet evenwel verbindende kracht worden ontzegd, zo volgt uit jurisprudentie van het hof (vergelijk het arrest van het hof van 28 april 2016, vindplaats rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2016:3450). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van feitcode R592a blijkt dat de regelgever aan deze jurisprudentie gevolgen heeft willen verbinden. Echter is de regelgever hierin, als de omschrijving van de gedraging bij deze feitcode letterlijk wordt gevolgd, verder gegaan dan nodig. Ook de situatie dat de (wel verleende) parkeervergunning niet duidelijk zichtbaar is, is niet (expliciet) in de omschrijving van de gedraging die hoort bij de feitcode R592a opgenomen. Een dergelijk verbod in een plaatselijke verordening is echter niet onverbindend. Een strikt grammaticale interpretatie van de door de regelgever gegeven omschrijving van de gedraging van feitcode R592a zou betekenen dat de overtreding van het verbod om te parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders terwijl de (wel verleende) parkeervergunning niet duidelijk zichtbaar in het voertuig is, niet als gedraging in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wahv kan worden aangemerkt en zodanige overtreding strafrechtelijk moet worden afgedaan. Het parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder de vereiste vergunning (feitcode R397) en het parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders terwijl niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan een zodanige vergunning zijn verbonden (feitcode R592a) daarentegen zijn wel als gedraging in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wahv aangemerkt.
12. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de feitcode R592a blijkt niet dat de regelgever deze consequentie heeft beoogd. De situatie dat de (verleende) vergunning niet duidelijk zichtbaar in het voertuig is, kan als staande op één lijn met het niet voldoen aan de voorwaarden waaronder een parkeervergunning is verleend, worden beschouwd. Aan een parkeervergunning is voorts veelal -zo is het hof ambtshalve bekend- de voorwaarde verbonden dat de vergunning duidelijk zichtbaar in het voertuig aanwezig moet zijn. Onder deze omstandigheden brengt naar het oordeel van het hof een redelijke uitleg van de omschrijving van de bij feitcode R592a behorende gedraging mee dat onder die omschrijving ook kan worden gebracht de situatie dat wordt geparkeerd op een parkeerplaats voor vergunninghouders terwijl het voertuig niet is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeervergunning (terwijl die vergunning wel is afgegeven). Gelet hierop treft het bezwaar dat geen rechtsgrondslag bestaat voor de oplegging van de sanctie geen doel.
13. De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat het overtreden voorschrift niet is vermeld in de sanctiebeschikking of het zaakoverzicht. Dat is in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving justitie. De betrokkene is hierdoor in zijn verdedigingsbelangen geschaad nu hij zich niet tijdig en adequaat heeft kunnen verweren, aldus de gemachtigde.
14. Het hof stelt vast dat de betrokkene reeds in administratief beroep is bijgestaan door de -professionele- gemachtigde die op de hoogte is van de betekenis van de vermelding PL.V in het zaakoverzicht. Deze vermelding, in combinatie met het tijdstip en de locatie van de gedraging maakt dat het overtreden voorschrift zonder grote inspanning kan worden achterhaald. Uit de gedurende de gehele procedure aangevoerde bezwaren kan ook niet worden afgeleid dat de gemachtigde door het niet vermelden van het overtreden voorschrift in de sanctiebeschikking of het zaakoverzicht niet in staat is geweest tijdig en adequaat verweer te voeren. Er is daarom niet gebleken dat de betrokkene in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Ook deze grond treft geen doel.
15. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor de toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.