Appellanten, landeigenaren betrokken bij de ruilverkaveling Landinrichting Staphorst, hebben bezwaar gemaakt tegen de toedeling van kavels en vermoeden onoorbare praktijken zoals corruptie en vriendjespolitiek binnen de verkavelingscommissie (VC) en uitvoeringscommissie (UC). Na afwijzing van hun verzoek tot voorlopig getuigenverhoor door de rechtbank, stelde het hof het verzoek in een afgeslankte vorm alsnog toe.
Het hof oordeelde dat het verzoek voldoende concreet was, met name gericht op de kwestie rond een lid van de VC, die mogelijk eigen belangen had en druk zou hebben uitgeoefend bij de toedeling van percelen. Het hof wees het verzoek toe voor het horen van vier specifieke getuigen en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere afhandeling.
De Provincie werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, terwijl de kosten van de procedure bij de rechtbank door partijen zelf gedragen moeten worden. Het hof verwierp bezwaren van de Provincie over misbruik van bevoegdheid en het karakter van het verzoek als fishing expedition, mits de rechter-commissaris zorgvuldige vraagstelling hanteert.
Deze beslissing opent de weg voor nader onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden in de ruilverkaveling en eventuele latere aansprakelijkheidsprocedures.